Hoofdstuk 5
Even na zessen komen vader en moeder thuis.
‘Zo’, zucht Ma moe maar voldaan, ‘je kunt goed merken dat er veel reclame is gemaakt voor ‘Gouda bij Kaarslicht’. Het is de hele dag druk geweest.’
Als Pierre de kamer in komt, schuiven ze aan tafel om te eten.
‘Ik ga in m’n eentje een stuk van Pavarotti spelen tijdens de kerstuitvoering’, zegt Liza na het gebed. Ze kijkt afwachtend rond.
Ma laat de groentelepel boven de schaal met witlof hangen. Vader trekt een prijzend gezicht en knikt haar toe.
‘Durf jij dat wel?’ vraagt Pierre plagerig.
‘Vast wel’, kaatst Liza terug.
‘Leuk joh’, zegt moeder, ‘ik ben nu al nieuwsgierig hoe het zal klinken. Ik had vandaag tante Liesbeth aan de telefoon en juist die vrijdag van de uitvoering komen ze met zijn vieren hier in Gouda aan. Het wordt die avond nog druk in de kerk. En’, voegt ma eraan toe, ‘ze zijn van plan pas op Nieuwjaarsdag weer terug te gaan naar Zwitserland.’
‘Wauw’, zegt Liza, ‘ik heb nu al zin in de vakantie.’
De rest van de maaltijd gaat het gesprek over uitvoeringen, vakantieherinneringen en over de indeling van de kamers tijdens de logeerpartij.
Omdat Liza het eten heeft gekookt, moet Pierre de tafel afruimen en de vaat doen. Liza duikt snel achter haar boeken. Ze maakt een paar lesjes Engels, leest een hoofdstuk geschiedenis door en pakt weer haar viool. Al gauw is het tegen achten, tijd om naar meneer Noot te gaan. Ze pakt zich dik in, trekt haar laarzen en handschoenen aan en stapt de voordeur uit. Ze weifelt welke kant ze op zal lopen en kiest ervoor om via de Willem Vroesentuin te lopen. Het pad door de tuin wordt verlicht door de reusachtige kerkramen.

De sprekende beuk vertelt zijn laatste verhaal voor deze avond. Er staan nog wat mensen te luisteren. Als oom Sander er is, zal ze hem meenemen om naar alle verhalen te luisteren.
Haar ouders vinden het niet goed dat ze alleen in het donker door de tuin loopt. Daarom vertelt ze hen niet dat ze dit regelmatig doet. Bang is ze niet, maar toch let ze wel op als ze hier alleen loopt. Ze gaat over het bruggetje achter in de tuin, langs de achterzijde van de winkels van de Tiendeweg. Ze loopt door tot bijna aan het kaarsenwinkeltje en gaat dan rechtsaf naar de Markt.

Meneer Noot woont boven café ‘In de Wijze Kan’. Als je bij hem op bezoek wilt, moet je achter in het café de trap op naar boven. Liza duwt de deur van het café open en stapt naar binnen. Een rokerige lucht komt haar tegemoet en het ruikt er naar drank en muffigheid. Langs de bar aan de linkerkant van de kroeg zitten een paar slonzige mannen met een glas bier voor zich. Een van hen kijkt om als Liza binnenstapt.
‘Goeieavond, meissie. Kom je ook een glaasje drinken?’
‘Goedenavond’, groet Liza en tegen de barman zegt ze: ‘Ik kom voor meneer Noot.’
‘Goed, hoor, weet je de weg?’ Liza schudt haar hoofd.
‘Ga de trap maar op naar boven, dan vind je het wel’, zegt de barman.
‘Doe hem de groeten van me’, lalt de man aan de bar, ‘Hij kan zo mooi muziek maken, hè?’ voegt hij eraan toe.
‘Ja, dat klopt’, zegt Liza. De man draait zich weer naar zijn glas en is haar alweer vergeten. Maar goed dat meneer Nooit de boel zo nuchter bekijkt, denkt Liza. Ze grinnikt om haar eigen woordspeling. Je zou anders misschien bang zijn om hier iedere dag doorheen te moeten lopen.
Achter in de zaak, in het gangetje bij de wc, is de trap die naar boven gaat. Bovenaan de trap is een piepklein halletje. Er hangt een kapstok en er zijn twee deuren dicht naast elkaar. Op een van de deuren is een kreukelig briefje geplakt. ‘Kloppen a.u.b.’ staat erop. Als een gehoorzaam meisje maakt Liza een roffeltje op de deur. De deur zwaait open en meneer Noot nodigt haar met een brede armzwaai naar binnen.
‘Leuk dat je er bent. Ik heb de bladmuziek gevonden’, komt hij meteen ter zake. Hij loopt naar de salontafel en pakt een stapeltje papieren.
‘Hier, kijk maar vast, dan schenk ik de koffie in.’
Liza pakt de muziek aan en gaat in een diepe leunstoel zitten. Ze kijkt de kamer eens rond. Wat een allegaartje heeft meneer Noot weten te verzamelen. Er is geen meubelstuk dat bij een ander past en overal liggen stapels boeken en bladmuziek. Verschillende instrumenten staan en liggen her en der verspreid door de kamer. De piano valt het meest op, maar ze ziet ook een gitaar en een viool. Op de eettafel voor het raam, dat op de markt uitkijkt, ligt een dwarsfluit. Liza staat op en gaat voor het raam staan. Meneer Noot komt de kamer in met twee mokken koffie en zet ze op de eettafel neer.
‘Zo kun je de kerstboom eens van een andere kant bekijken, hè?’ zegt hij lachend.

‘U woont hier wel heel leuk, hoor’, prijst Liza zijn woning. ‘En nu je overal die lampenkappen met de gebrandschilderde ramen van de Sint-Jan ziet, heb ik in de hele binnenstad het gevoel thuis te zijn.’
‘Ja, nu is het inderdaad heel gezellig, maar met Oranjenacht, het Jazzfestival en de kermis zit ik liever in een hutje op de hei. Dat mogen ze van mij allemaal afschaffen. Maar ja, het is nu eenmaal zo’, zegt hij er schouderophalend achteraan. ‘Kom, ga zitten’, zegt hij uitnodigend op de stoelen bij de tafel wijzend. ‘Onder het koffiedrinken kunnen we kletsen en naar buiten kijken.’ Liza gaat zitten en legt de muziek voor zich neer.
‘Het ziet er hier en daar wel een beetje ingewikkeld uit’, zegt meneer Noot, wijzend op de bladmuziek, ‘maar als je tot aan de uitvoering zoveel mogelijk oefent, moet je een heel eind kunnen komen.’
Liza kijkt hem aan: ‘Maar de muziek zit al in mijn hoofd’, zegt ze zachtjes.
‘Tuurlijk’, zegt meneer Noot glimlachend, ‘ik heb je horen spelen. Ik twijfel er ook niet aan of je dit voor elkaar gaat krijgen.’
Dankbaar glimlacht ze naar hem en roert dan weer in haar koffie. Met kleine slokjes drinkt ze haar beker leeg. Dan staat ze op.
‘Ik ga direct als ik thuis ben oefenen’, zegt ze.
‘Als je er niet uitkomt, kom je maar weer langs. Ik loop nog even met je mee naar beneden, je weet maar nooit of ze een glaasje te veel op hebben’, zegt hij met een knipoog.
Liza houdt de trapleuning goed vast. De treden zijn zo smal; ze is bang dat haar voeten eraf glijden. In het café is er niet veel veranderd. Er zitten nog steeds een paar mannen aan de bar. Alleen zitten ze nu nog verder over hun glas gebogen, alsof ze te moe zijn om hun hoofd rechtop te houden. De barman schenkt juist nog een biertje in voor een van zijn gasten.
‘Tot ziens’, groet hij Liza en meneer Noot. Liza groet hem glimlachend terug. Ze vraagt zich af hoe het komt dat zo’n vriendelijke, beleefde man een café runt. Altijd komen er mensen alcohol bij je drinken, wat Liza nu niet zo’n hoogstaande bezigheid vindt. Of zou die man anders zijn dan hij zich voordoet, denkt ze plotseling. Even snel als de gedachte bij haar opkomt, tikt Liza zichzelf op de vingers. ‘Hou op met veroordelen’, bestraft ze zichzelf.
Meneer Noot opent de cafédeur voor haar en ze stappen naar buiten. De deur valt achter hen dicht. Buiten is het nog steeds guur.
‘Geen pretje om nu buiten te moeten zijn’, zegt meneer Noot.
‘Nee’, zegt Liza peinzend, ‘zeker niet als je nu op straat moet slapen.’
Meneer Noot kijkt haar verrast aan. ‘Jij trekt je het lot van de daklozen aan?’
‘Ja’, zegt Liza, ‘ik ken iemand die dakloos is. Hij slaapt in de Willem Vroesentuin.’ Meneer Noot is even stil.
‘Misschien moet je bij de opvang vragen wat je voor hem kunt doen.’
‘Hij heeft vannacht bij ons in de schuur geslapen, maar mijn ouders mogen dat niet weten. Ik had hem het geld dat ik verdiend had op Kaarsjesavond gegeven, maar mijn vader vond dat geen goed idee. Hij noemt zwervers nietsnutten.’
‘Het is natuurlijk wel waar dat ze over het algemeen niet veel werken, maar vaak is er een heel aannemelijke reden voor. Vaak psychische problemen of door anderen in de steek gelaten.’ Meneer Noot slaat zijn armen om zich heen om warm te blijven.
‘Brr’, zegt hij, ‘op dit moment weet ik niet wat ik voor jou of hem kan doen, maar als je vragen hebt of ergens mee zit, wil ik je altijd helpen.’
Liza zucht opgelucht. ‘Dank u wel. Gelukkig zijn er ook nog mensen die niet lelijk over zwervers doen. Thuis voelde ik me zo naar.’
‘Goed’, zegt meneer Noot beslissend, ‘We spreken af dat je naar mij toekomt als je er zelf niet meer uitkomt.’ Liza knikt.
‘Tot morgen’, roept ze nog, zich half omdraaiend als ze wegloopt. Meneer Noot opent de cafédeur en met een brede armzwaai verdwijnt hij in de warmte van de kroeg. Voordat Liza het kerkstraatje ingaat, kijkt ze nog even achterom naar de kerstboom. Hoog torent hij boven de huizen van de markt uit. Hij is net zo hoog als het oude gotische stadhuis. Nu zijn er niet veel mensen die bij de kerstboom staan. Liza ziet alleen een eenzame figuur die met zijn rug naar de boom tegen de dranghekken staat. Hij draagt slobberkleren en heeft een kerstmuts op. Dan begint hij te hoesten. Zijn lijf vouwt hij bijna dubbel, alsof hij daardoor meer kracht kan zetten. Zonder na te denken steekt Liza de weg over en staat ze bij hem om te helpen. De hoestbui zakt weer af en de zwerver gaat weer rechtop staan. Hij kijkt Liza met vreemd glanzende ogen aan.
‘Wie was die man waar je mee in het café was?’ zegt hij plotseling. Liza kijkt hem verbaasd aan.
‘Wat bedoel je?’ zegt ze verward.
‘Net wat ik zeg, die man waarmee je in het café was’, herhaalt de zwerver.
‘Oh’, zegt Liza opgelucht, ‘dat is gewoon een muziekleraar van school. Hij woont boven het café. Ik heb bij hem bladmuziek opgehaald voor de kerstuitvoering van school. Ik moet een stuk in mijn eentje spelen. Kom je ook?’ nodigt ze hem plotseling uit. ‘Als je niet ziek bent tenminste’, voegt ze er snel aan toe.
De zwerver grijnslacht. ‘Als ik ziek ben, is het wel lekker om in een warme kerk te zitten. Natuurlijk kom ik als je speelt.’ Hij kijkt haar aan en Liza wordt verlegen van zijn indringende blik.
‘Ik moet weer naar huis’, zegt ze, maar dan vraagt ze: ‘Waar slaap je vannacht?’
‘Vannacht kan ik naar het Leger des Heils, dat heb ik vandaag kunnen regelen.’
‘Waarom leef je eigenlijk op straat?’ waagt Liza te vragen.
‘Ach, dat is een lang verhaal’, zegt hij ontwijkend.
‘Nou, vertel eens’, dringt ze aan. Hij lacht een beetje.
‘Ik zal het kort houden’, zegt hij. ‘Mijn vader en mijn moeder vonden me een lastpost, that’s all. En bovendien, mijn vrienden leven ook op straat.’ Hij haalt verontschuldigend zijn schouders op. ‘Hoe heet je eigenlijk?’ vraagt hij dan.
‘Ik heet Liza, en jij?’

‘Antonio’, zegt de zwerver. Dan bekijkt hij de kerstboom en zegt: ‘Wat vind jij daar nu van? Geld om een kerstboom mooi op te tuigen is er wel, maar geld om mensen zoals ik te helpen is er niet.’ Liza weet niets te zeggen. Ze schaamt zich voor het stadsbestuur en de hulpverlenende instanties.
Ik zou je wel willen helpen, maar ik weet niet hoe.’
‘Ik vind het al heel lief van je dat je dat zegt.’
De zwerver trekt zijn want uit en wrijft over zijn wang. Liza ziet hoe zijn hand trilt. Hij moet erg ziek zijn of hij heeft het heel koud, denkt ze.
‘Waarom ga je nu niet alvast naar het Leger des Heils?’ vraagt Liza.
‘Waarom zou ik bij allemaal vieze kerels en vrouwen in een rokerig hok gaan zitten als ik hier bij kaarslicht met een schone jonkvrouw kan praten’, zegt hij met een ondeugende blik in zijn ogen. Liza glimlacht, maar dan wordt haar oog getrokken door een jongen op een fiets. Hij komt uit het straatje dat langs de Sint-Jan loopt. Het is Pierre en zijn ogen worden groot als hij haar zo dicht bij Antonio ziet staan.
‘Meid, je bent niet lekker’, roept hij. ‘Pa komt er ook aan. Wegwezen’, voegt hij er achter zich wijzend aan toe. Liza begint meteen te lopen. In een paar tellen is ze aan de andere kant van de kerstboom. Net op dat moment komt haar vader het straatje uit fietsen. Antonio is blijven staan en vader kijkt hem bevreemd aan. Wat doet zo’n zwerver bij de kerstboom, zie je hem denken. Kerstballen jatten en de bedrading doorknippen, net als vorig jaar? Hij fietst verder en kijkt nog even snel achterom. Antonio kijkt hem na en daardoor ziet vader Liza niet, die zich achter de kerstboom verschuilt.
‘Sorry’, zegt ze even later tegen hem. ‘Ik begrijp niet waarom mensen zo hard voor elkaar zijn.’ Antonio haalt zijn schouders weer eens op.
‘Gewoon langs je heen laten gaan.’ Maar in zijn ogen ziet Liza een verdriet dat ze niet kan plaatsen. Liza frummelt wat met de muziekpapieren. En dan opeens wil ze Antonio ook betrekken bij haar kerstvreugde. Ze kijkt hem met blijde ogen aan en zegt: ‘Volgende week vrijdagavond is de uitvoering in de Sint-Jan. Het begint om half acht.’ Antonio knikt.
‘Ik heb je al eens horen spelen, maar je maakte het stuk toen niet af. Het laatste gedeelte moet ik nog horen.’ Liza kleurt en ze is blij dat het zo schemerig is op de markt. ‘Ik ga maar eens op huis aan’, zegt ze snel. ‘Loop je een stukje mee?’
‘Zou ik dat nu wel doen?’ vraagt Antonio voorzichtig. Dan zegt hij beslist: ‘Nee, ik wil niet dat je problemen krijgt door mij. Trouwens, ik ga nog even bij een vriend van me kijken die net als ik erg verkouden is. Ik heb wat medicijnen gekregen die ik met hem wil delen. Misschien zie ik je morgen weer.’ Dan draait hij zich om en steekt dwars de markt over. Liza kijkt hem verdrietig na. Wat zou ze hem graag een gezellig thuis geven. Maar wat een strijd met haar ouders zal dat kosten. Ze kijkt omhoog naar de hemel waar God woont.
‘Heer’, fluistert ze, ‘U weet hoe dit allemaal af zal lopen. Geef me wijsheid om de juiste beslissingen te nemen.’ Er valt een koud vlokje op haar neus en nog een. Weldra is de lucht vol met dwarrelende witte vlokken. In de verte, aan de overkant van de markt, ziet ze een schim oplossen tussen de vlokken in de witter wordende wereld.
‘Dank U, Heer, dat hij voor deze avond onderdak heeft.’ Ze loopt langzaam terug naar het pad dat achter de Sint-Jan langsloopt. Er komt een fietser voorbij die diep weggedoken is in zijn winterjas met bontkraag. In het schijnsel van zijn fietslamp stromen de sneeuwvlokken naar beneden. Zijn fietsbanden laten in de sneeuw een dun spoor achter. Liza stopt de muziekbladen onder haar jas, zodat ze niet nat worden. De vlokken prikken in haar ogen en haar vingers worden koud. Ze loopt voorzichtig; ze heeft gladde zolen en ze is het nog niet vergeten dat ze een paar dagen geleden hier onderuitging. Nu zal er niet zomaar iemand langskomen om haar overeind te helpen. Ze verlangt naar huis, naar de open haard waar het vuur zo lekker in brandt. Maar telkens moet ze aan Antonio denken, die naar een zieke vriend moet en voorlopig niet in de warmte van de opvang is. Ze voelt zich schuldig dat ze zo’n gemakkelijk leventje heeft vergeleken met hem.
In de verte ziet ze het licht van de winkel schijnen op het pad voor hun huis. In huis is alles donker. Iedereen is weg. Ma is in de winkel die nog lang open is deze dagen. Liza diept de sleutel van de voordeur op uit haar jaszak en bibberend steekt ze hem in het slot. Ze slaakt een zucht van verlichting als ze in de gang staat. Hier is het heel wat beter dan buiten. Ze knipt de ganglamp aan en loopt meteen door naar de woonkamer. In de haard gloeit het nog een beetje. Ze opent het deurtje en legt een houtblok op de smeulende as. Even later likken de vlammen rond het hout en komt er een weldadige warmte de kamer in. Liza legt de muziekbladen op de eettafel en hangt haar jas in de gang. Even een stukje uitproberen, denkt ze en haalt op haar kamer haar viool. Ze ploft in de leunstoel bij de open haard en begint te spelen. Ze gaat zo in haar muziek op dat ze niet hoort dat vader en Pierre weer thuiskomen. Ze blijven in de deuropening staan luisteren en kijken elkaar aan. Die tante kan er wat van, zie je ze denken. Pierre kucht eens. Liza kijkt op en stopt met spelen. Pierre en pa geven een kort applaus.
‘Dit stuk moet ik met de uitvoering spelen’, zegt ze met een kleur op haar wangen.
‘Volgens mij gaat dat wel lukken’, zegt pa.
‘Ik denk dat ik mijn nieuwe vriendin ook maar eens meeneem naar die uitvoering van jou’, zegt Pierre geheimzinnig.
‘Je nieuwe vriendin’, vraagt Liza direct nieuwsgierig. ‘Hoe kom je aan een nieuwe vriendin?’
‘Gewoon’, zegt Pierre, ‘van de straat geraapt.’ Dan verdwijnt hij, nog steeds geheimzinnig lachend, de gang in. Liza’s gezicht betrekt.
‘Meid, wat kan jou het schelen wat hij zegt’, zegt pa.
Je moest eens weten, pa, denkt Liza. Ze pakt haar viool en bladmuziek.
‘Ik ga nog even wat aan m’n huiswerk doen’, mompelt ze en loopt naar haar slaapkamer. Even later is ze alweer in de keuken.
‘Zo, jij bent snel klaar’, zegt pa, licht spottend.
‘Met een glaasje cola erbij leert het wat gemakkelijker’, schertst Liza terug. Ze vertelt niet dat haar gedachten weer bij Antonio zijn en dat het leren nu niet wil lukken.
Pa verdwijnt nog even naar de overkant. Als haar vader en moeder om kwart over negen thuiskomen, besluit Liza om haar bed op te zoeken. Ze is moe van alles. Moe van het bezoek aan meneer Noot en moe van de kou van vanavond, moe van de spanning voor de uitvoering en vooral moe van het denken aan Antonio. En misschien wel het meest moe van Pierre. Zou hij haar een keer verraden?
Ze kruipt snel onder haar winterdekbed en valt al gauw in slaap.

Ze loopt achter de Sint-Jan en het sneeuwt. Alles is wit. Bij de steenhouwer staan stapels ondergesneeuwde stenen. De leuningen aan de brug naar het Catharina Gasthuis hebben een dikke muts op. Langs de muren van de Sint-Jan liggen hopen sneeuw. Een van die hopen beweegt. Liza loopt er voorzichtig naartoe. Ze veegt wat sneeuw aan de kant. Dan ineens ziet ze een stuk van een gezicht dat blauw is van de kou. Een klein oranje randje van een kerstmuts komt ook onder de sneeuw vandaan. Liza graait in de hoop sneeuw, pakt een arm en schudt eraan.
‘Je moet opstaan, straks vries je dood.’ Het gezicht probeert te lachen, maar door de kou lukt dat niet meer. Langzaam schudt het hoofd heen en weer. Liza trekt nog een keer aan de arm, maar het lichaam geeft niet mee. Dan wordt ze zelf van achteren beetgepakt en de stem van haar vader zegt:
‘Laat maar liggen. Wat moet je er ook mee?’ Hij trekt haar mee terug naar huis. In de deuropening staat Pierre. Hij slaat op z’n knieën van het lachen en hij wijst naar haar.
‘Verbeeld je maar niet dat je wat voor hem kan betekenen, hoor’, spot hij. Vader trekt haar de gang in en Pierre smijt de deur met een klap dicht.
Liza schiet overeind in haar bed en ze hapt naar adem. Ze hoorde duidelijk de voordeur dichtslaan. In de gang hoort ze driftige stemmen. Ze hoort Pierre nog zeggen:
‘Ik maak zelf wel uit met wie ik omga.’ Dan verdwijnen de stemmen achter de kamerdeur. Liza zakt terug in haar kussen. Haar hart bonst nog. Wat bedoelde Pierre? Over wie heeft hij het? Zijn nieuwe vriendin soms? Ze denkt nog na over haar droom. Weer begint ze te piekeren over Antonio. Zou hij nu wel echt in de nachtopvang zijn? Als er nu eens niet genoeg plaats was, omdat iedereen deze nacht binnen wil slapen. Als een ander nu eens voorgedrongen was. Als hij nu eens niet op tijd was geweest en ze zijn slaapplaats aan een ander hadden gegeven. Dan zou hij nu buiten in de sneeuw liggen. Ze ziet weer het blauwwitte gezicht uit haar droom voor zich. Ze gaat zo snel mogelijk bij het inloophuis van de kerk vragen hoe ze hem zou kunnen helpen. Ze sukkelt weg in een lichte slaap.
