Pavarotti, een Kerstverhaal, #11

Hoofdstuk 11

Klop, klop, klop.

‘Meiden, wakker worden!’

Klop, klop, klop. De slaapkamerdeur van Liza en Leonora piept open.

Het olijke hoofd van Tim wringt zich erdoorheen. ‘Het is eerste Kerstdag, komen jullie eruit?’

Twee slaperige hoofden draaien zich naar de deur. Leonora zucht.

‘Man, hou je waffel, we komen straks heus wel.’

Maar Liza kan het wel waarderen en lijzig zegt ze: ‘Staat de ontbijttafel al klaar? Dan kom ik meteen.’

‘Ik ga de tafel dekken’, roept Tim en met een klap sluit hij de deur. Liza gaat overeind zitten en probeert haar ogen open te krijgen. Door de gordijnen komt al een beetje licht van buiten. Ze heeft wel zin in vandaag. Ze verheugt zich al op het zingen van de kerstliederen in de kerk. Ze hoeft dit jaar niet mee te spelen in het orkestje. Er zijn nu anderen aan de beurt. Vanuit de bank kan ze nu volop genieten van de muziek en de speciaal voor de kerst gemaakte preek. Dat kan ze wel aan de verrassende kijk van de dominee op de Bijbelverhalen overlaten. Vaak verwondert ze zich over het inzicht dat hij heeft in allerlei thema’s. Ze waardeert het dat hij een enorme studie van zijn preken maakt. In haar hart weet ze dat zijn inzicht niet alleen door de studie komt. Ze benijdt hem dat hij wèl weet hoe hij naar de stem van God moet luisteren. Ze heeft er zelf zo’n moeite mee. Altijd twijfelt ze van wie die stemmen en ingevingen zijn die ze hoort en voelt. Graag zou ze eens met de dominee gaan praten, maar de stap is tot nu toe te groot geweest.

Klop, klop, klop. Tim is vanmorgen een volhouder. Ineens gaat er een lampje branden bij Liza. Tim heeft zin in cadeautjes, flitst het door haar hoofd. Lachend stapt ze uit bed en niet veel later is ze in de keuken. Ze helpt Tim met het tafeldekken.

‘We zullen toch geduldig moeten wachten tot de anderen ook uitgeslapen zijn’, zegt ze verontschuldigend tegen hem. ‘Ze worden vast boos als ik ze wakker ga maken. Weet je wat’, voegt ze eraan toe, ‘ik zal je een verhaal voorlezen, dan gaat de tijd wat sneller.’

Tim is er wel voor te vinden en samen kruipen ze in de grote leunstoel bij de haard. Voor de gezelligheid heeft Liza er een blokje hout in gegooid, wat nu heerlijk ligt te knetteren. Liza slaat het dikke voorleesboek open bij een kerstverhaal. Als het uit is, zucht Tim hartgrondig.

‘Dat was mooi, zeg. Lees je er nog een?’

Liza lacht. ‘Als het aan jou ligt, zitten we hier heel de dag vastgeklemd in deze stoel.’

‘Lekker warm, toch’, zegt Tim met een grijns.

Op de trap klinkt gestommel en ma komt de kamer in.

‘Zo, jullie zijn vroeg’, zegt ze verbaasd.

‘Het is eerste Kerstdag’, verduidelijkt Tim haar. ‘Dan gaan we altijd iets vroeger op voor de cadeautjes.’ Ma lacht.

‘Dacht je dat we cadeautjes hadden, jongen?’ zegt ze plagerig. Even kijkt hij haar beduusd aan, maar dan ziet hij dat ze lacht.

‘U houdt me voor de gek’, zegt hij. Ma aait hem door zijn haar.

‘We bewaren de cadeautjes tot morgen. Vandaag hebben we zoveel andere dingen te doen.’

Ietwat teleurgesteld kijkt hij van Liza naar haar moeder.

‘Van mij heb je net al een klein cadeautje gehad’, sust Liza, ‘en volgens mij kun jij best tot morgen wachten.’

‘Dat is veel te moeilijk’, protesteert hij. Liza kijkt hem met een pruillip en een schuin hoofd aan. Ze zegt niets.

‘Oké, oké, ik zal het proberen’, geeft hij dan toe. Nu komen een voor een ook de anderen de kamer binnen en kunnen ze aan tafel.

De kerkdienst is inderdaad heel sprankelend, wat Liza ook wel had verwacht. Langzaam glijden haar ogen door de bomvolle kerk. Ze is niet eens echt verbaasd als ze Antonio tussen de mensen ziet zitten. Het lijkt wel of hij het voelt dat ze naar hem kijkt. Hij draait zijn hoofd langzaam haar richting uit en knipoogt. Ze glimlacht en kleurt.

‘Naar wie zit je te lachen?’ stoot John, die zoals gewoonlijk naast haar zit, haar aan.

‘Een binnenpretje dat naar buiten kwam’, fluistert ze terug. John kijkt haar een beetje wantrouwend aan. Zeker weten dat ze hem belatafelt, zie je hem denken.


Tussen de middag eten ze soep met broodjes.

‘Morgen na de kerkdienst mogen jullie niet weg hoor’, zegt Ma tegen Liza en Leonora, ‘dan gaan Tante Liesbeth en ik uitgebreid koken en jullie moeten wel van onze kookkunsten proeven.’

De meiden knikken braaf.

Vanmiddag gaan ze naar het inloophuis op de Oosthaven om te helpen bij de voorbereiding van de kerstmaaltijd. Om vijf uur mogen de stadszwervers en de daklozen van hun kerstdiner komen genieten. Liza ziet ertegenop. Ze heeft er geen idee van waar ze mee kunnen helpen.

Naast haar zit Tim van z’n soep te slurpen. Hij heeft al een paar keer een standje van zijn moeder gekregen, maar hij trekt zich er niet veel van aan. Ineens stoot hij met zijn elleboog tegen Liza’s arm. De soep op haar lepel, die ze net in haar mond wilde steken, valt op haar nieuwe rok.

‘Joh, kijk uit’, zegt ze verschrikt.

Tim kijkt op. ‘Je hebt soep gemorst op je rok’, zegt hij.

‘Ja, hallo, dat komt door jou.’ Liza voelt zich een beetje kribbig worden. Waarom moet nu net haar mooie, nieuwe rok vies worden? Wat moet ze nu straks aan? Ze wil er graag netjes uitzien tijdens het kerstdiner voor de zwervers. Dan moet ze in zichzelf lachen. Voor de zwervers en voor Antonio. Waar is ze mee bezig? Waarom gaat ze de tegenstelling tussen haar en hen zo duidelijk zichtbaar maken? Ze dept de soep met een servetje van haar rok en zegt:

‘Geeft niet, ik maak hem straks wel schoon.’

Even ziet ze het gezicht van haar moeder aan de overkant van de tafel. Daar hangt een donkere wolk boven, maar haar moeder zegt niets. Liza kan wel raden wat zij denkt. Ze is vast heel boos dat die dure rok nu al, na één keer dragen, in de was moet. Tante Liesbeth heeft ook een donkere wolk boven haar hoofd hangen.

Boos valt ze uit tegen Tim. ‘Waarom let je niet beter op? Nu moet die nieuwe rok alweer in de was.’

‘Het gaat er vast wel uit, hoor’, sust Liza haar tante, ‘en ik trek zo dadelijk een andere rok aan. In het inloophuis is het toch vast niet handig om nette kleren aan te hebben.’ ‘Mag ik ook mee vanmiddag?’ waagt Tim te vragen.

‘Jij!’ valt zijn moeder uit, ‘dan ga je daar zeker ook de boel in het honderd laten lopen.’

‘Mam’, komt oom Sander tussenbeide, ‘laat die jongen gewoon meegaan als de meiden het goedvinden.’ Hij kijkt met een schuin oog naar Liza en Leonora.

Die kijken elkaar op hun beurt aan. ‘Van mij mag je mee als je je niet overal mee bemoeit’, zegt Leonora.

Tim springt bijna van zijn stoel en stoot tegen zijn bord met soep aan. De soep golft nog net niet over de rand heen.

‘Zie je nu wat je doet?’ moppert tante Liesbeth verder. ‘Straks kunnen er nog meer kleren in de was.’

Liza kan een glimlach niet onderdrukken als ze in gedachten in het inloophuis Tim door de smurrie ziet glijden, omdat hij net huzarenslaatjes heeft laten vallen.

Liza en Leonora trekken allebei iets gemakkelijks, maar toch gezelligs aan. Ze gaan lopend naar het inloophuis. Tim danst de hele weg om hen heen.

‘Ben je zenuwachtig, of zo’, moppert zijn zus.

‘Nee, maar ik heb nooit veel zwervers tegelijk bij elkaar gezien en misschien gaan ze wel een jointje roken en bier drinken en dan wordt het heel gezellig, denk ik.’

‘Reken er maar op dat er geen alcohol wordt geschonken en als ze een jointje roken, mogen ze dat verder denk ik buiten gaan doen en niet meer binnen komen’, zegt Leonora.

Tim kijkt door de ramen naar binnen als ze aankomen. In het inloophuis is nog geen zwerver te bekennen.

‘Waar zijn de zwervers?’ fluistert Tim in Liza’s oor.

‘Die komen pas over een paar uur. Wij gaan nu het eten klaarmaken en de tafels dekken.’

‘Oh’, zegt Tim. Het klinkt teleurgesteld.

Liza pakt hem bij zijn schouders en rammelt hem door elkaar. ‘We komen hier voor de daklozen en niet voor onszelf, mannetje.’

Liza gaat de vier traptreden op naar de grote deur en duwt hem open. Ze stappen direct een zaal binnen. Op de grond ligt een donkerrood vloerkleed. Door de zaal verspreid staan vierkante tafeltjes in groepjes bij elkaar. Ouderwetse houten stoelen staan eromheen. Over de tafeltjes liggen kleedjes waar kerststukjes op staan. Aan de hoge muren hangen grote spiegels in vergulde lijsten en prachtige schilderijen. Het plafond is bewerkt met gipsen krullen en bloemen.

‘Wat een deftig inloophuis.’ Leonora durft niet hardop te praten.

‘Vroeger werden hier bruiloften gehouden en vergaderingen, maar nu je niet meer in de buurt kunt parkeren, hebben ze er iets anders van gemaakt. Ik geloof dat er boven kleine appartementjes zijn voor alleenstaanden’, antwoordt Liza. ‘Zullen we naar achteren lopen en kijken of we iemand kunnen vinden die we kunnen helpen?’

Leonora knikt en laat Liza voorgaan. Tim is al verder gelopen en staat voor een schilderij te kijken waarop een jachttafereel is afgebeeld.

‘Dat lijkt me ook wel leuk om eens te doen’, zegt hij dan.

Liza glimlacht naar hem zonder te weten waar hij het over heeft. Ze is veel te druk met rondkijken naar iemand die hen verder kan helpen. Er komen allerlei geluiden uit een ruimte achter in de zaal. Het blijkt de keuken te zijn. Als ze binnenstappen, is net Antonio van plan naar buiten te gaan. Even kijken hij en Liza elkaar verbaasd aan en dan schieten ze in de lach.

‘Ik heb de keukenprinsessen al verteld dat ze versterking zouden krijgen’, lacht hij en tegen de dames in de keuken roept hij: ’Ze zijn er hoor! Ik zal zorgen dat er veel volk te eten komt.’

Dan gaat hij de keuken uit, knipoogt naar Liza, aait Tim over zijn haar en verdwijnt. Een dikke schommel komt naar de meiden en Tim toe. Ze knikt met haar hoofd naar de deur en zegt: ‘Als het aan hem ligt, krijgen die zwervers iedere dag een kerstdiner. Maar dat gaat niet gebeuren; ik weet niet waar de centen vandaan zouden moeten komen. Leuk dat jullie komen’, gaat ze direct verder, ‘er is zat te doen.’

Dat zien de meiden en even moeten ze slikken bij het zien van de hoeveelheid etenswaren die op de tafel in het midden van de keuken staat. Ze groeten de andere vier vrouwen die ook in de keuken bezig zijn en krijgen een plekje naast elkaar aan het enorme aanrecht dat langs de vier wanden is aangebracht.

‘De mensen krijgen als toetje ijs met slagroom en fruit’, vertelt de dikke vrouw. ‘Ik heet trouwens Mina. ‘Als jullie nu eens het fruit klaar gaan maken en daarna de slagroom kloppen?’ stelt ze voor. De meiden knikken en kijken rond om te zien waar ze het fruit vandaan kunnen toveren. Mina is hen voor en van de grote tafel haalt ze blikken fruit tevoorschijn.

‘Deze moet je in die grote pan daar doen en dan met een schuimspaan eruit halen en uit laten lekken in het vergiet.’ Ze geeft hen nog een paar trossen bananen en zakken peren. ‘Als alles is uitgelekt, mag je die er ook bij doen’, vervolgt ze. Ze geeft hen mesjes en blikopeners en laat hen dan alleen achter bij de enorme pan.

Liza en Leonora kijken elkaar aan en zuchten voorzichtig.

‘Daar zijn we nog niet zomaar mee klaar’, moppert Leonora.

‘Het is voor het goede doel, moet je maar denken’, zegt Liza en pakt de deksel van de pan en kijkt de diepte in.

‘Oké, die gaan we vullen’, zegt ze opgewekt, ‘maar niet op de manier zoals tante Mina het zegt.’

Leonora kijkt verbaasd. ‘Hoe doe je het dan?’ vraagt ze.

‘Als jij nu die vergiet bovenop de pan zet, gieten we de blikken leeg en lekt het direct uit. Slaan we een handeling over, hé’

‘Oké, juf, doen we’, zegt Leonora.

‘Wat mag ik doen?’ horen ze Tim vragen aan Mina. Ze kijken over hun schouders en zien dat Mina haar dikke handen op Tims smalle schoudertjes legt.

‘Jij’, zegt ze nadenkend, ‘ik denk dat jij Gerard en John wel kan helpen. Die komen zo om in de zaal de tafels goed te zetten en daar alles te regelen.’

Liza en Leonora wisselen blikken van verstandhouding.

‘Nu wordt het toch nog gezellig’, zegt Leonora tussen haar tanden door. Ze grinniken en gaan zenuwachtig aan het werk.

John komt ook, denkt Liza. Ze had er eigenlijk geen rekening mee gehouden dat hij er ook bij zou zijn. John en Antonio, een grotere tegenstelling kan ze eigenlijk niet bedenken. John woont met zijn ouders en zus in een groot huis langs de Reeuwijkse Plassen Ze is er vorig jaar geweest, toen hij de hele klas op zijn verjaardag had uitgenodigd. Stiekem had ze hem er toen van verdacht dat dit voor hem de enige mogelijkheid was om haar bij hem thuis te krijgen. In haar eentje zou ze er nooit heen zijn gegaan. Ze vindt hem een erg aardige en komische jongen. Eigenlijk heeft hij alles wat een meisje interessant aan een jongen vindt. Hij is vriendelijk, lang, knap, rijk en kan goed leren. Wat zou je je nog meer wensen? Zijn ouders zijn aardige, vrolijke mensen en ze zitten bij hen in de kerk. Geen probleem om daar verkering mee te hebben. Toch houdt ze hem op afstand. Diep in haar hart voelt ze wel waarom.

Dan wordt de deur van de keuken opengegooid.

‘Een heel gelukkig kerstfeest allemaal’, klinken twee vrolijke stemmen. De vrouwen draaien hun hoofden naar de deur en begroeten lachend de twee jongens die binnenkomen. Tim stuift meteen op en rent naar Gerard.

‘Ik mag jullie helpen’, zegt hij.

‘Wie ben jij, klein onderdeurtje’, zegt John en hij buigt voorover naar Tim om hem onderzoekend aan te kijken. Tim raakt niet in het minst onder de indruk en zegt, wijzend op Leonora en Liza: ‘Ik ben de broer van haar.’

‘Bróer?’ vraagt John en samen barsten de jongens in lachen uit. Dan legt Gerard een hand op zijn schouder. ‘Grote broers kunnen ons wel helpen, denk ik, vind je ook niet, John?’ Deze trekt een gewichtig gezicht en knikt instemmend.

‘Vooruit, jullie’, zegt Mina tegen de jongens, ‘gauw aan de slag, jullie hebben nog een hoop te doen.’ Ze dirigeert hen de keuken uit. Liza ziet nog net dat John over het hoofd van Mina heen naar haar kijkt en lacht.

‘Tot straks’, roept hij nog. Ook Gerard steekt nog gauw zijn hand op naar Leonora en verdwijnt dan in de eetzaal. De meiden kijken elkaar aan.

‘Leuk dat ze er zijn, hè?’ zegt Leonora.

Liza knikt. Het is inderdaad leuk dat ze er zijn, maar het is ook een beetje problematisch. Hoe zullen Antonio en John op elkaar reageren als ze van elkaar zien dat ze allebei in haar geïnteresseerd zijn? Ze weet niet hoe haar houding zal moeten zijn, zodat ze geen van beiden pijn zal doen. Ze kan kiezen. Of geen van beiden extra aandacht geven, of allebei even veel, of één van beiden. Ze besluit om de jongens, op de momenten dat ze om haar aandacht bedelen, het gewoon te geven. Waarom zou ze een keus tussen beiden moeten maken? Geen van beiden heeft haar ooit gevraagd dat te doen. En weet je, bedenkt ze zich, ik ben pas zeventien, hoor. Nog tijd genoeg om me aan iemand te binden.

Opgewekt gaat ze weer verder met het geklieder met het fruit. Ondertussen vult de keuken zich met heerlijke geuren van gebraden vlees en vers gesneden groenten. Overal klinkt het geluid van messen en lepels tegen pannen en op snijplanken. Na het fruit gaat Liza de slagroom kloppen en Leonora krijgt van Mina een ander klusje. De mixer in de enorme kom maakt een lawaai van jewelste. Het duurt eindeloos voordat de slagroom klaar is. De spetters vliegen Liza om de oren en ze is blij dat ze haar nieuwe kleren niet meer aan heeft. Ze let goed op dat de slagroom niet gaat schiften en af en toe houdt ze de kom met beide handen schuin om te kijken of de slagroom nog loopt. Eindelijk blijft ie hangen in de kom en met een zucht van verlichting haalt ze de gardes uit de mixer. Ze klopt de overtollige slagroom van de ‘stokken’ en likt er een af.

‘Mag ik die andere aflikken?’ hoort ze een stem achter zich.

‘Jij bent echt een kei in het besluipen van onschuldige meisjes, hè?’ zegt ze terwijl ze zich omdraait en de lepel aan Antonio geeft. Gauw veegt ze langs haar mond, omdat ze het geen gezicht vindt als er nog slagroom aanzit. De deur vliegt weer open en Tim rent naar binnen, op de voet gevolgd door John en Gerard. O, nee, denkt Liza, daar heb je de eerste confrontatie. John kijkt haar verbaasd aan en maakt een beweging met zijn hoofd alsof hij wil vragen: ‘Wat is dat met die zwerver?’ Liza lacht vriendelijk naar hem en pakt de kom met slagroom en zet hem op een andere plek op het aanrecht. Zo hoeft ze hen geen van beiden aan te kijken. Ze doet net of haar neus bloedt en ruimt ondertussen de schillen van de peren en bananen op.

‘Kennen wij elkaar al?’ vraagt John beleefd aan Antonio en steekt hem zijn hand toe.

‘Ik ben John, Liza’s vriend’, zegt hij.

Liza’s oren klapperen. Hoe durft hij, denkt ze.

Dan hoort ze de stem van Antonio: ‘Ik ben Antonio, ook de vriend van Liza.’

Even is het heel stil achter haar rug en dan verbreekt Tim de stilte.

‘Wauw, jij hebt wel twee vrienden tegelijk. Ik wist wel dat er een heleboel jongens je leuk vinden. Als ik groter was, nou dan…’ en hij kijkt haar veelbetekenend aan. Dan schiet iedereen in de keuken in de lach en met haar houding verlegen doet Liza net of ze Tim een draai om zijn oren wil geven. Ze voelt het zweet op haar rug prikken en haar handen trillen. Mina helpt haar uit de brand door iedereen weer aan het werk te jagen. Over een krap uurtje komen de daklozen om te eten en nog niet alles is klaar. Het duurt even voordat Liza haar handen weer onder controle heeft. Ze veegt het haar van haar klamme voorhoofd en gedachteloos volgt ze de aanwijzingen die Mina haar geeft op. Vanuit de zaal komen muziektonen de keuken in.

‘Hé, leuk’, zegt de vrouw die naast Liza staat, ‘het orkest is ook gearriveerd.’

‘Als ik dat had geweten, had ik mijn viool ook wel mee kunnen nemen.’

‘Ik denk dat we je hard nodig zullen hebben tijdens het bedienen’, geeft de vrouw als antwoord. ‘Je zult wel zien dat we ons straks de benen uit ons lijf rennen en van vermoeidheid zitten we morgen te slapen in de kerk.’

‘Zo laat zijn ze toch niet klaar met eten’, vraagt Liza verbaasd.

‘Nee, dat werken ze vlotjes naar binnen, maar alles moet nog opgeruimd en schoongemaakt worden. Vergis je niet.’ 

Daar had Liza inderdaad niet aan gedacht.

In het volgende uur komen er regelmatig warrige hoofden om de hoek van de keukendeur om de heerlijke geuren op te snuiven. Grijze hoofden met baarden, blonde, bleke hoofden en zwarte gezichten met glinsterende ogen. De meeste van hen zijn warm in kleurige sjaals en mutsen gewikkeld.

‘Wegwezen’, roept Mina bij ieder nieuw hoofd, ‘uit m’n keuken, jullie.’ Even snel als ze komen kijken, schieten ze weer weg. Maar dan komt er één die zich niet zo gemakkelijk af laat schepen.

‘Hé Mientje’, roept een schorre stem uit de deuropening. ‘Hé, meid, hoe is ‘ie, ken je me nog?’ Mina draait zich boos naar hem toe.

‘Heb je niet gehoord wat ik je zei?’ moppert ze luid. Dan gaan haar ogen een stukje verder open en verbazing klinkt door in haar stem.

‘Ben jij het, Gerrit?’

‘Sjonge’, zegt Gerrit op zijn beurt verbaasd, ‘je kent me dus nog? Weet je nog dat ik een keer verkering aan je heb gevraagd?’ Mina krijgt zowaar een kleur, maar als ze ziet dat er meer warhoofden in de deuropening verschenen zijn, wordt ze weer kordaat. Ze pakt Gerrit bij zijn jas en trekt hem richting de deur.

‘Nu heb ik geen tijd om met je te praten, straks misschien.’ Ze duwt hem tussen de groep nieuwsgierigen en doet de deur weer dicht. In zichzelf mompelend loopt ze de keuken weer in. ‘Het is toch wat hoor, zonde van zo’n goeie jongen.’

Als Liza even later nog een keer naar Mina kijkt, die nu stilletjes naast haar aan het aanrecht bezig is, ziet ze dat er tranen over haar gezicht lopen. Een verdrietig gevoel kruipt in Liza’s buik omhoog.

Mina ziet dat ze kijkt en zegt: ‘Ik snap er niets van, hij kon zo ontzettend goed leren. Ik wist nooit iets en hij hielp me vaak met moeilijke sommen.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Jongen, jongen toch’, mompelt ze.

Het wordt zachtjes aan tijd om de soep binnen te gaan brengen. De vrouwen dragen verschillende grote pannen de zaal in en zetten ze op de tafels die door Gerard en John in lange rijen zijn gezet. Dan neemt Mart het woord. Liza kent hem wel. Hij organiseert allerlei activiteiten binnen de kerk. Nu hij zo tussen de tafels staat, waar de havelozen aanzitten, lijkt hij nog langer en blozender dan hij al is.

‘Beste dames en heren’, zo begint hij. Komisch om hen zo aan te spreken, denkt Liza. Ze kijkt de rijen langs. Hier en daar ziet ze tussen de mannen een enkele vrouw zitten. De meesten hebben een sigaret tussen de vingers, wat hen niet damesachtiger maakt. Mart gaat verder en heet hen van harte welkom op dit kerstdiner, speciaal voor mensen die speciaal zijn, zo zegt hij.

Hoe zouden die vrouwen dat toch doen, denkt Liza, op straat tussen alle vuiligheid. Hoe zouden ze zichzelf schoonhouden en verzorgen? Zijzelf staat iedere dag toch wel een groot aantal minuten voor de spiegel om te kijken of alles er nog een beetje redelijk uitziet. Dat mannen op straat leven, kan ze zich beter voorstellen dan dat vrouwen dat doen. Hebben ze dan geen behoefte aan warmte en gezelligheid? Wat zou toch de oorzaak zijn dat mensen zich zo verwaarlozen en niet alles op alles zetten om een thuis te hebben? Zou ze nu te simpel denken, vraagt ze zich af. Ze neemt zich voor om Antonio uitgebreid te ondervragen als ze hem de eerstvolgende keer alleen spreekt.

Mart vraagt aan de zwervers of hij hen voor mag gaan in gebed. Hij wil God danken voor al het heerlijke eten dat ze vandaag van Hem hebben gekregen.

‘Goed, hoor’, zegt Gerrit, ‘dat vond ik vroeger op school ook altijd zo mooi. De juf praatte gewoon met God of Hij haar beste vriend was.’ Mart springt er handig op in. ‘Weten jullie’, zegt hij, ‘dat de Heere Jezus, toen hij op aarde was, vooral de vriend was van mensen die aan de rand van de samenleving zaten? Daarom geloof ik ook dat Hij nu jullie Vriend wil zijn.’ Dan bidt hij en dankt God voor het heerlijke eten dat hij hen vandaag geeft en voor de vriendschap die Hij hen allemaal aanbiedt. Hier en daar wordt het ‘amen’ dat hij uitspreekt beantwoord. Terwijl het orkestje kerstliederen speelt, gaan de deksels van de pannen en begerig kijken de zwervers naar de rijkgevulde tomatensoep. Met verlangende ogen geven ze hun borden door en wachten ongeduldig tot ze gevuld worden. Liza kijkt verbaasd toe hoe snel sommigen de hete soep naar binnen proberen te lepelen. Ze zijn vast uitgehongerd, denkt ze medelijdend. Steels kijkt ze naar Antonio, die voorzichtig van zijn hete soep eet. Dan kijkt ze wat beter. Het valt haar ineens op dat hij er anders uitziet dan de rest. Ze probeert te ontdekken wat er anders is. Zijn kleren zijn het niet, constateert ze. Die zijn even rafelig en vies als die van de anderen. Wat anders is, is dat hij veel netter eet, net of hij een betere opvoeding heeft gehad. Toch hoeft dat niet zo te zijn, denkt ze; Gerrit heeft toch waarschijnlijk ook een goede opvoeding en onderwijs gehad. Ze laat haar ogen nog een keer speurend langs de rij gaan en ineens ziet ze het. Hij ziet er veel frisser en gezonder uit. Hoe kan dat, denkt ze verward. Misschien omdat hij een van de jongsten is? Terwijl ze controleert welke pannen al leeg zijn en naar de keuken gebracht kunnen worden, vergelijkt ze hem met andere jonge zwervers. Het zijn er niet veel, maar die er zijn, hebben bleke, ingevallen gezichten en slordig haar.

Antonio lijkt zich trouwens heel goed te vermaken. Hij schijnt iedereen aan tafel te kennen en geeft verschillende mensen aandacht.

‘Kijk je vandaag ook nog een beetje naar mij?’ vraagt John als ze hem voorbijloopt. Betrapt kijkt ze hem aan en in een jolige bui geeft ze hem een vette knipoog. Hij slaakt een diepe zucht.

‘Gelukkig, een klein stukje van mijn dag is alvast goed. Nu de rest nog.’ Gauw steekt ze haar tong naar hem uit voordat ze in de keuken verdwijnt.

Mart heeft tijdens het diner de leiding en kondigt aan dat er tussen de gangen door steeds iets voorgedragen zal worden.

‘We beginnen met het voorlezen van het Kerstevangelie. Dat zal Truus voor ons doen.’ Truus zet de pan die ze net naar de keuken wil brengen neer en loopt naar de microfoon. Ze pakt een bijbeltje en leest het eerste gedeelte van Lukas 2 voor. De andere vrouwen wachten met afruimen tot ze klaar is. Ondertussen kijkt Liza rond. Hier en daar ziet ze een hand die steels langs betraande ogen wordt geveegd.

Zouden die mensen nu terugdenken aan vroeger, vraagt Liza zich af. Vroeger, toen ze nog naar de zondagschool gingen en ze met het Kerstfeest een boek en zak met fruit en snoep kregen. Hoe komt het dat deze mensen allemaal bij de kerk zijn weggegaan? Ze gelooft niet dat alleen maar tegenslagen de oorzaak zijn. Misschien heeft het gedrag van andere kerkmensen hen wel doen besluiten de brui eraan te geven. Nee, denkt Liza, ook dat kan het niet zijn. Als je echt contact met God hebt, dan kun je altijd nog verhuizen en ergens anders bij een kerk aansluiten. Ik denk, zegt ze tegen zichzelf, dat er eigenlijk niemand is die wil doen wat God voorschrijft. Misschien denkt iedereen wel dat het een last is om Jezus te volgen. Dan voelt Liza zich warm en gelukkig worden vanbinnen. Ze is blij dat ze tegen God alles kan vertellen wat haar dwarszit en dat ze ziet dat er dingen veranderen als ze erom vraagt. Met haar eigen vader en moeder heeft ze geen diepzinnige gesprekken; die zijn altijd aan het werk. Met vriendinnen gaan de gesprekken ook niet erg ver. Ze zucht zachtjes als ze daaraan denkt. Leeft dan iedereen zo oppervlakkig? Ook dat kan ze niet geloven. Waarom vertellen mensen dan niet wat hen werkelijk bezielt? Ze kijkt langs de verweerde, rimpelige gezichten. Sommige zwervers zien eruit of ze nog niet tot tien kunnen tellen, maar er zitten er ook tussen die waarschijnlijk een goed verstand hebben. Liza’s gedachten gaan malen. Wat zou ze graag van iedereen weten welke achtergrond ze hebben. Wat zou ze ook graag meedenken hoe ze weer een normaal leven kunnen leiden. Hoe ze weer iedere dag naar hun werk kunnen en ’s avonds naar een eigen huisje kunnen gaan. Telkens dwalen haar ogen langs de rijen en met een schok realiseert ze zich dat Antonio naar haar kijkt. Hij fronst zijn wenkbrauwen en glimlacht bemoedigend naar haar. Truus is klaar met het voorlezen en stelt voor dat ze met elkaar ‘Nu zijt wellekomen’ zullen zingen. Het orkest zet in en langzaam komen de eerste woorden bij de tafels vandaan. Mooi klinkt het niet, maar Liza haalt diep adem om haar tranen binnen te houden als ze al die doffe, gebarsten, bibberige stemmen dit oude lied hoort zingen. Meezingen lukt bijna niet, maar ze beweegt haar lippen, omdat ze niet wil dat iedereen ziet hoe ze zich voelt. Na het lied gaat ze druk verder met het afruimen van de tafels en dan komen de schalen met vlees en groenten en heerlijke sauzen binnen. De meeste thuislozen vallen aan zonder aan hun buurman of buurvrouw te denken. Mina en de andere vrouwen hebben daar ervaring mee en waarschuwen voortdurend dat alles eerlijk verdeeld moet worden. Ook hebben ze schalen achtergehouden om straks uit te delen aan de mensen die iets aan hun neus voorbij hebben zien gaan. De sfeer is goed, maar met schrik ziet Liza hoe de tafels veranderen in een vieze vlekkenmassa. Vooruit, denkt ze, er bestaat zoiets als zeepsop. We krijgen het wel weer schoon. Waar is Tim eigenlijk, denkt ze opeens. Ze kijkt de zaal door en ineens ziet ze een klein zwervertje tussen twee oudere vrouwen zitten. Ze scheppen van alles op zijn bord en aaien hem over zijn hoofd. Tim geniet en kletst honderduit tegen de rimpelige gezichten naast hem. Ja, glimlacht Liza, zo kun je ook mensen helpen. Met ze praten en ze de kans geven voor je te zorgen.

Buiten is het ondertussen donker geworden en door de hoge ramen heen verspreiden de straatlantaarns met de Sint-Janslampenkappen een zacht licht. Er dwarrelen weer sneeuwvlokken op de muurtjes langs de grachten. Binnen is het warm en gezellig. Het orkest speelt en soms zetten de zwervers spontaan in om mee te zingen. Er wordt gelachen en er worden tranen weggepinkt. Mina’s vrouwen krijgen zere voeten van het af- en aansjouwen van schalen vol met allerlei kleuren en lekkere geuren. Totdat het moment komt dat de schalen toch echt leeg zijn en de mensen voldaan onderuit zakken aan de tafels.

‘Dames en heren, voordat we de maaltijd afsluiten’, zegt Mart, ‘zullen we nog een kopje koffie met elkaar drinken.’

Als de koffie op is, vraagt Mart in zijn gebed een zegen voor de aanwezigen. Het orkest speelt nog een laatste kerstlied en langzaam en wat onwillig gaan de thuislozen weer naar buiten, op zoek naar een slaapplaats voor de nacht. Dan bergen ook de muzikanten hun instrumenten op en helpen ze mee om alles weer in de oude staat terug te brengen. In de keuken wordt gewassen en gepoetst dat het een lieve lust is. Langzamerhand verdwijnen de borden en schalen schoon in de kast, wordt het aanrecht leeg en schoon en als laatste wordt de vloer gedweild. De dames slaken een zucht van verlichting als de klus geklaard is.

‘We hebben wel eer van ons werk, vinden jullie ook niet?’ zegt Mina met een hoofd zo rood als een biet. De zweetdruppels staan op haar voorhoofd. Iedereen is het erover eens dat de avond geslaagd is.

‘We kunnen er weer een jaar tegen’, grapt een van de vrouwen.

Liza kan het niet laten een vraag te stellen. ‘Wat wordt er tussen nu en volgend jaar eigenlijk allemaal voor deze mensen gedaan?’

‘Veel’, zucht Mina. ‘We hebben vrijwilligers die iedere dag een paar uur het inloophuis openhouden en koffie schenken voor de gasten. Maar het is niet alleen koffieschenken, hoor’, voegt ze er veelbetekenend aan toe, ‘je moet ook naar de verhalen luisteren en ze vragen je om advies. Dat vind ik niet altijd gemakkelijk’, zucht ze, ‘ik kan mezelf soms niet eens goed advies geven, laat staan deze mensen. Ik lig soms de hele nacht te malen, zoveel indrukken doe je dan op’, bekent ze.

‘Ik heb bewondering voor jullie’, is het enige dat Liza terug weet te zeggen en Leonora kan alleen maar instemmend knikken. Tim is op een keukenstoel neergeploft.

‘Ik vond het heel gezellig, maar nu ben ik heel erg moe’, zegt hij met een sloom stemmetje. Hij geeuwt hartgrondig en wrijft in zijn ogen. ‘Zullen we naar huis gaan?’ vraagt hij aan zijn zus.

‘Hij heeft groot gelijk’, zegt Mina, ‘we gaan er vandoor.’ Ook in de zaal is alles keurig opgeruimd en schoongeboend. Gerard en John zitten nog met Mart na te praten. Ze staan op als de dames uit de keuken komen.

‘Zullen wij met jullie meelopen naar huis?’ stellen de jongens aan Liza en Leonora voor. De meiden vinden het prima en al gauw staat iedereen buiten op de stoep voor het inloophuis.

‘Nog allemaal een fijne kerstdag morgen’, zegt Mart en dan verdwijnt iedereen in de richting van zijn eigen huis. De jongelui praten niet veel onderweg. Het is koud en het sneeuwt nog steeds een beetje.

‘Ik hoop maar dat iedereen voor vannacht een binnenslaapplaats heeft gevonden’, zegt Liza een beetje bezorgd.

‘Met de kerstdagen is er extra ruimte beschikbaar voor de mensen’, stelt Gerard haar gerust.

‘Maak je je ongerust over je zwervervriend?’ fluistert John in haar oor. Liza kan in het donker niet zien of het spottend of serieus is bedoeld. Ze haalt haar schouders op.

‘Ik denk dat er wel goed voor hem wordt gezorgd’, zegt hij een beetje raadselachtig. Liza kijkt vragend naar hem op, maar als antwoord krijgt ze alleen een glimlach. John slaat een arm om haar heen en hij drukt haar tegen zich aan.

‘Je moet je niet zo druk maken om die mensen, er wordt veel voor hen gedaan.’

Liza zegt niets terug. Het is niet waar wat hij suggereert. Natuurlijk zijn er mensen die voor anderen zorgen, maar de hulp is niet altijd genoeg. Waarom sterven er dan zwervers van de kou in de steden, met zoveel mensen en warme huizen om hen heen? Weer neemt ze zich voor om met Antonio in gesprek te gaan over alle vragen die in haar branden. Ze laat Johns arm op haar schouders liggen, maar stiekem kijkt ze rond of ze Antonio nergens ziet. Bij het kostershuis nemen de jongens afscheid van de meiden en Tim. Zij moeten nog een eindje fietsen voor ze thuis zijn.

‘Tot morgen in de kerk’, fluistert Gerard nog in Leonora’s oor.

‘Tot morgen in de kerk’, fluistert ze terug. ‘Haal je me op?’ zegt ze er haastig achteraan.

‘Oké, doe ik.’ Dan verdwijnen de meiden en Tim achter de brede voordeur. Hun ouders zitten gezellig met een glaasje wijn rond het haardvuur. Tim kan de energie nog opbrengen om alles in geuren en kleuren te vertellen. Hij wrijft over zijn buik. ‘Ik heb van twee zwervermevrouwen heerlijk te eten gehad’, vertelt hij.

‘Moesten ze dat eten dan niet zelf hebben?’ vraagt oom Sander.

‘Ze zeiden dat ze niet meer gewend waren om veel te eten, dus mocht ik het. Ze waren wel een beetje mager, nu je het zegt’, zegt hij peinzend. Dan valt het verhaal stil.

‘Ik ga jou naar bed brengen’, zegt tante Liesbeth tegen Tim. ‘Je bent vast erg moe van alles.’ Tim knikt. Hij wenst iedereen welterusten en gaat de trap op naar boven.  

De meiden ploffen op de bank neer en schoppen hun schoenen uit.

‘Hoe was het?’ vraagt Liza’s moeder.

‘Goed’, zegt Leonora alleen maar. Als twee zoutzakken zitten ze onderuitgezakt op de bank.

‘Ik ben te moe om naar mijn bed te gaan’, zegt Liza, ‘we slapen vannacht hier.’ Maar even later staan ze toch op en zonder veel poespas storten ze in hun bed. Die nacht dwarrelen alle beelden als sneeuwvlokken door Liza’s hoofd. Telkens ziet ze de zwervers een voor een of in kleine groepjes de zaal verlaten en de kou weer ingaan. Waar zijn ze nu allemaal gebleven? Is dat niet een vreselijke ontnuchtering als je uit zo’n warme, gezellige ruimte in de kou gezet wordt?  

In haar droom ziet ze Antonio over de markt lopen. Hij struikelt telkens over de ongelijke kinderhoofdjes. Bij de verlichte ramen blijft hij steeds even staan, maar er is niemand die hem opendoet. Liza probeert naar hem toe te lopen, maar het lukt niet om hem in te halen. Dan pakt John haar arm beet en neemt haar mee een winkel in. Maar het is geen winkel, het is de enorme huiskamer van zijn ouders. Bij een groot open haardvuur zitten zijn vader en moeder in dure lederen fauteuils. Ze glimlachen naar haar, maar zeggen niets. John neemt haar mee naar een bank waarop ze zwijgend gaan zitten. Dan ziet ze ineens een groot raam. Buiten sneeuwt het en Antonio loopt in de sneeuw. Ze staat op en gaat de deur uit. Niemand volgt haar. Weer staat ze op de markt. Ze rilt, ze is haar jas kwijt. Antonio is in geen velden of wegen te zien. De markt is verlaten en donker. Alleen de lampenkappen met de Goudse glazen geven een beetje licht. Als ze zich omdraait om weer bij John naar binnen te gaan, kan ze de deur niet meer vinden. Alle huizen zijn donker, nergens brandt licht. Dan loopt ze langs de huizen tot ze het straatje naar de Sint-Jan vindt. Het duurt verschrikkelijk lang voordat ze thuis is. Ze ziet dat de achterdeur van de Sint-Jan openstaat en ze gaat naar binnen. Overal in de kerk staan tafels overladen met heerlijk eten en kerkmensen zitten te smullen en te lachen. Waarom wist ze niet dat dit vandaag in de kerk werd gedaan? Ze gaat op een lege plek zitten en ineens zitten Leonora en Tim bij haar aan tafel.

‘Waarom eten ze niet thuis?’ vraagt Tim.

Een mevrouw naast hem zegt: ‘Deze mensen hebben wel een huis, maar daar is het niet gezellig. Daarom komen ze maar hier.’

Liza kijkt de kerk rond en overal waar ze kijkt, ziet ze mensen. De kerk zit worstvol. Liza krijgt het er benauwd van. Is het dan bij niemand leuk thuis? Waarom hebben ze het hier wel naar hun zin? Waarom maken ze het bij henzelf thuis niet leuk? Liza stikt zowat. Wat een ellende overal.

Ze hapt naar adem en draait zich om. Dan wordt ze wakker van het kiertje licht dat door de gordijnen piept en in haar gezicht schijnt. Op haar wekker ziet Liza dat het half negen is. Leonora ligt nog te slapen. Straks komen de jongens hen ophalen om naar de kerk te gaan. Rare droom, denkt Liza nog, ze snapt er niet veel van. In de keuken hoort ze gestommel en het hoge stemmetje van Tim. Dan heeft ze ook zin om uit bed te gaan en lekker wat te gaan eten. Gisterenavond is daar niet veel van gekomen en dat voelt ze nu.

Om kwart voor tien gaat de voordeurbel. Oom Sander doet open. Gerard en John staan op de stoep.

‘Wij komen de dames ophalen’, verklaart Gerard hun komst.

‘De dames’, zegt oom Sander peinzend, ‘jullie bedoelen vast de jòngedames.’

De jongeheren knikken driftig.

‘Kom maar even binnen staan, dan zal ik eens voor jullie kijken.’ Oom Sander klopt op de deur van de slaapkamer van de meiden.

‘Joehoe, we komen eraan’, wordt er achter de deur geroepen en meteen vliegt de deur open.

‘Jullie zijn plaatjes’, zegt oom Sander bewonderend als hij de meisjes bekijkt. Aan de jongens te zien zijn ze het daarmee eens. Tim staat achter zijn vader en kijkt stiekem van de een naar de ander. Zijn ogen glimmen. Dit is de vakantie van zijn leven. Net nu hij ook een beetje oog krijgt voor mooie, lieve meisjes, ziet hij hoe grote jongens en meiden elkaar proberen te paaien. Heel interessant.

Vijf minuten later lopen ze voorzichtig over de gladde klinkers naar de kerk. Er ligt nog steeds een laagje sneeuw. Na de dienst drinkt het groepje dat altijd bij de kerk op elkaar wacht koffie in het kostershuis. Niet allemaal zijn ze er. Met de kerstdagen moeten de meeste thuis zijn of familieleden bezoeken. Ook Gerard en John blijven niet lang. Na een uurtje is het weer rustig in huis. Liza pakt haar viool en speelt een droevig lied. Het inloophuis laat haar nog niet los. Haar gedachten cirkelen voortdurend om de vraag hoe zijzelf iets kan betekenen voor de zwervers. Geld heeft ze niet en tijd heeft ze alleen in de vakantie. Ze voelt zich heel beperkt in haar mogelijkheden. Deze vakantie gaat ze nog iets verzinnen, neemt ze zich voor.

Dan komen ma en tante Liesbeth de kamer in met twee grote dozen vol cadeautjes.

‘Hier is de kerstman’, roept tante Liesbeth.

Iedereen komt uit z’n luie stoel, dringt om de dozen heen en probeert te ontdekken wat er voor hem of haar in zit Ze zetten de dozen voor de open haard en pakken Tim bij zijn kraag.

‘Jij mag vandaag voor kerstman spelen’, zegt ma en zet hem een rode kerstmuts op die versierd is met wit bont en belletjes. Tim gaat op zijn knieën bij de dozen zitten en een voor een haalt hij de cadeautjes eruit. Hardop leest hij de namen voor die op het kerstpapier staan geschreven en geeft het cadeau aan de betreffende persoon.

‘Wauw’, roept hij dan. ‘Deze is voor mij.’ Meteen vergeet hij de rest van de cadeaus uit te delen en scheurt enthousiast het papier van een grote doos.

‘Wauw’, roept hij nog een keer, ‘een radiografisch bestuurbare auto. Die wilde ik net hebben.’

‘Hé, man’, zegt Pierre tegen hem en stoot hem tegen zijn schouders, ‘ga je vandaag nog verder met uitdelen of zal ik het maar doen?’

‘Doe jij het maar’, zegt Tim direct, ‘ik heb nu even geen tijd meer.’

Pierre lacht en neemt Tims plaats in. Liza en Leonora krijgen ieder een prachtige sjaal met mooie motieven en een set schitterende kralen met benodigdheden waar ze kettingen en armbanden van kunnen maken.

‘De rest van de dag zijn wij bezig, denk je ook niet, Leo?’ zegt Liza. Leonora knikt. Ze zijn blij met hun cadeaus en gaan meteen aan de slag. Op de gladde houten tafel spreiden ze ieder een handdoek uit en leggen daar de kralen op. Ze passen en meten net zo lang tot de kralen in de volgorde liggen die ze het mooist vinden.

Ma en tante Liesbeth zijn druk in de keuken met de maaltijd. Heerlijke geuren dwarrelen de kamer in. Alles wat een uurtje later op tafel wordt gezet, ziet er fantastisch uit. Iedereen geniet van de maaltijd en de gezelligheid. Het begint al te schemeren wanneer de tafel door de meisjes wordt afgeruimd. Zelfs Tim is het gelukt om zo lang aan tafel te blijven zitten. Pierre heeft zich niet veel laten horen tijdens het eten.

‘Ik ga nog even een rondje om de kerk’, kondigt hij aan. Iedereen vindt het best. Liza loopt met hem mee naar de gang.

‘Hoe gaat het nu?’ vraagt ze zacht aan hem.

‘Ik moest nog van Mira zeggen dat je mooi speelde tijdens de uitvoering’, zegt hij zacht terug.

‘Waren jullie er dan ook?’ vraagt Liza verbaasd. Pierre glimlacht.

‘Dat had ik toch gezegd?’ Liza schaamt zich dat ze dat niet serieus heeft genomen. ‘Sorry, ik had er niet meer aan gedacht. Ik ben te veel met mezelf en mijn eigen problemen en pleziertjes bezig geweest.’

‘Dat geeft niets. Je helpt me niet door ergens over te piekeren. Als ik wat van je nodig heb, zeg ik dat, oké?’

‘Oké, ik wil je graag helpen.’

Dan gaat de buitendeur achter Pierre dicht en Liza loopt terug naar de kamer. Wat een liefdesproblemen allemaal, denkt ze. Pierre en Mira, wat vast niet door Pa en Ma gewaardeerd zal worden, zijzelf die eenzelfde soort probleem heeft met Antonio en John die aandacht vraagt, Leonora en Gerard die zo verschrikkelijk ver bij elkaar vandaan wonen. Piekeren helpt niet, zei Pierre net. Ze moest zijn raad maar opvolgen en bij de dag leven.

De rest van de middag en avond wordt er gezellig bijgepraat rond het haardvuur, en zingen ze kerstliederen bij Liza’s viool. Ma en tante Liesbeth zorgen tussendoor voor lekkere hapjes en warme drankjes. Liza en Leonora leggen de laatste hand aan hun nieuwe sieraden en showen die trots.

Uiteindelijk wordt het toch echt voor iedereen bedtijd, en niet veel later is het overal stil in huis.


De volgende morgen slapen de meiden uit. Het is donderdagochtend, marktdag. Liza gaat vandaag de manufacturenkoopvrouw niet helpen. Deze heeft een dagje vrij genomen. Zo vlak na de kerst komt er toch niemand garen en band kopen. Tegen half elf stappen de meisjes de deur uit en gaan de stad in om leuke winkeltjes te zoeken.

‘Ik ruik iets lekkers’, zegt Liza als ze een uurtje later in de buurt van de markt komen. ‘Volgens mij worden er ergens oliebollen gebakken.’

Op de markt staat inderdaad een kraam waar een bakker grote lepels deeg in een frituurbak laat glijden. Er staat een lange rij klanten voor de kraam.

‘Op naar het volgende feest’, sneert Liza. ‘Zullen we er ook een kopen? Heb je er trek in?’ vraagt Liza aan Leonora.

‘Goed, eentje dan.’

Als ze eindelijk aan de beurt zijn, kopen ze voor ieder een oliebol. Smullend en kliederend met de suiker lopen ze verder over de markt.

‘Weet je wat een leuk idee is?’ zegt Liza ineens. ‘Als we nu eens zelf oliebollen gaan bakken en ze naar het inloophuis brengen?

Leonora kijkt haar fronsend aan. ‘Vindt je moeder dat goed, als je de keuken lekker vet gaat maken? Volgens mij kun je beter vragen of je de keuken van het inloophuis mag gebruiken. Iedereen die dan komt, heeft direct een warme oliebol.’

‘Meid, je hebt fantastische ideeën, zullen we het meteen vragen?’ Snel lopen ze naar het inloophuis aan de Oosthaven. De deur is open. Aan een tafeltje zitten een paar mannen een kopje koffie te drinken. De deur naar de keuken staat open en ze zien er een vrouw bezig. Ze groeten de mannen en lopen door naar de keuken.

‘Mogen wij misschien iets vragen?’ zegt Liza tegen haar.

‘Natuurlijk, zeg het maar.’ De vrouw veegt haar handen af aan een handdoek en kijkt de meisjes vriendelijk aan.

‘We liepen net in de stad en toen roken we oliebollen. Toen kwamen we op het idee om oliebollen voor het inloophuis te gaan bakken. We zijn bang dat we dat thuis niet mogen doen en daarom wilden we vragen of het hier mag.’ Liza en Leonora kijken de vrouw vragend aan.

‘Dat vind ik een heel lief idee van jullie, alleen zijn er hier geen spullen voor. Die moet je zelf gaan kopen. Morgen ben ik hier ook. Als jullie hier nu om een uur of negen komen, dan kunnen jullie gelijk gaan beginnen. Hoeveel gaan jullie er maken?’ De meiden halen hun schouders op.

‘Daar hebben we nog niet over nagedacht.’

‘Laten we eens een berekeningetje gaan maken’, stelt de vrouw voor. Ze pakt een pen en een kladblok van het aanrecht en gaat in de zaal aan een tafel zitten. De meisjes trekken er ook een stoel bij en een poosje later staat op papier hoeveel er nodig is. ‘Hebben jullie geld voor de spullen?’ vraagt de vrouw.

‘Misschien niet genoeg, dat moeten we thuis nog gaan bekijken.’

‘Weet je’, stelt de vrouw voor, ‘kijk maar hoever je komt en koop vanmiddag de ingrediënten. Dan zie ik jullie morgenochtend wel verschijnen.’ Ze geeft het papiertje aan de meisjes.

Weer buiten zegt Leonora: ’We gaan thuis geld proberen te bietsen.’

Vol goede moed lopen ze naar huis. Alleen oom Sander is thuis. Leonora begint meteen aan een vurig betoog voor de zwerver en ze weet hem verrassend snel te overtuigen. Even later haalt hij vijftig euro uit zijn portemonnee.

‘Wel een beetje voorzichtig mee doen, hè?’ waarschuwt hij.

‘Geen probleem’, antwoordt Leonora. Gewapend met een enorme boodschappentas gaan ze naar de supermarkt op de markt. Het wordt ze daar gemakkelijk gemaakt, want er is een heel rek speciaal voor oliebolleningrediënten ingericht. Beladen met een tas vol meel, olie, appels, krenten, rozijnen en sukade komen ze de winkel weer uit.

‘En, waar gaan de dames zo zwaar beladen heen?’ vraagt Antonio, die net langs de winkel loopt.

Liza krijgt een kleur van schrik, maar Leonora heeft wel een antwoord klaar.

‘We gaan jullie verwennen’, zegt ze geheimzinnig.

‘Òns verwennen?’ herhaalt Antonio langzaam, ‘hoe doen jullie dat?’

‘Kijk maar’, zegt Leonora en wijst op de geopende tas die tussen hen in hangt. Antonio buigt zich over de tas en kijkt dan de meisjes een voor een aan.

‘Jullie zijn lief’, zegt hij zacht. ‘Wanneer gaan jullie dat doen?’

‘Morgen, in het inloophuis’, geeft Leonora als antwoord.

‘Ik kom natuurlijk ook, dat snap je wel’, zegt hij lachend.

‘Ja, slimpie’, kaatst Leonora terug, ‘het is ook voor jou, hoor.’

‘Zal ik de tas dragen?’ stelt Antonio voor.

‘O, nee’, zeggen ze allebei tegelijk, ‘dat kunnen we zelf wel.’

‘Goed, jullie je zin’, zegt hij lachend, ‘tot morgen dan maar. Ik ga nog even bij iemand langs.’ Hij draait zich om en loopt richting de Kleiweg. De meisjes brengen de tas in het inloophuis en ze zijn blij als ze er zijn. Hun handen doen zeer van het hengsel van de zware tas.

‘Fijn dat het gelukt is, zeg’, zegt de vrouw in het inloophuis. ‘Ik heb me nog niet eens aan jullie voorgesteld. Ik ben Sandra.’ Ze geeft de meisjes een hand en die noemen ook hun naam.

‘We hebben met het kerstdiner geholpen eergisteren’, legt Liza uit, ‘daarom dachten we er nu ook aan om wat voor het inloophuis te doen.’

‘O, waren jullie die meisjes waar Mina het over had? Ze had het erg leuk gevonden dat jullie er waren.’

Liza en Leonora glimlachen verlegen. Bij een beker warme chocolademelk vertellen ze hoe de avond is verlopen en ze horen van Sandra allerlei leuke anekdotes over het inloophuis. Af en toe staat Sandra op om iets in te schenken voor de mensen die langskomen voor wat gezelligheid en warmte. Met een tevreden gevoel gaan de meisjes weer naar huis.

‘Ik heb echt zin in morgen’, zegt Leonora met een zucht. ‘Eigenlijk is hier in de stad veel meer te doen dan bij ons thuis.’

‘Vergis je niet, alleen de maand december zit zo volgepropt met leuke activiteiten. In januari en februari weet je van de saaiheid niet waar je moet kijken.’

‘Toch zou ik liever hier willen wonen’, zegt Leonora.

‘Ach joh, dat is je vakantiegevoel.’

‘Ik weet het niet’, zegt ze langzaam, ‘ik heb hier betere vrienden en vriendinnen gekregen dan ik in Zwitserland heb.’

‘Misschien moet je vriendinnen uit jullie kerk gaan zoeken en je gothic-vriendinnen links laten liggen’, oppert Liza.

‘Het zal niet zo gemakkelijk zijn, maar ik denk dat ik het wel ga proberen’, zegt Leonora. Liza voelt zich blij en dankbaar worden. Gelukkig, denkt ze, er is een kans dat ze er helemaal mee breekt. Ze geeft haar een bemoedigende glimlach.

‘Het gaat heus wel lukken, hoor.’


De volgende ochtend staan ze al om vijf voor negen op de stoep van het inloophuis. Tim hebben ze ook meegenomen.

‘Jij mag de oliebollen ronddelen’, had Liza tegen hem gezegd. Enthousiast had hij geknikt. Sandra is er nog niet, maar al gauw komt ze aangefietst. Ze zet haar fiets onder het raam op slot.

‘Jullie hebben er wel zin in, zeg’, zegt ze bewonderend. De meiden lachen.

‘We hadden speciaal de wekker heel vroeg gezet en dat in de vakantie.’

‘Natuurlijk, jullie hebben vakantie’, zegt Sandra, ‘nou, ik vind jullie dapper hoor.’ Ze doet de deur open en knipt een paar lampen aan.

‘Het is donker vandaag, vinden jullie ook niet? Het gaat vast nog weer sneeuwen.’

Liza kijkt door de hoge ramen naar buiten. Het streepje lucht dat ze boven de herenhuizen aan de overkant van de gracht ziet, is inderdaad grauw. Ze rilt. Hier is het ook nog niet warm. Sandra loopt naar de thermostaat aan het einde van de zaal en draait eraan.

‘Zo, eerst een beetje warmte.’

Ze hangen hun jassen op en wassen hun handen. IJverig gaan ze aan de slag. Appels worden geschild en in stukjes gesneden. Tim haalt de stokjes uit de krenten en de rozijnen. Ze boenen een paar grote emmers schoon en doen daar het beslag in. Ze zetten ze met een theedoek over hun kop op een plekje bij de verwarming. De olie gaat in twee van de breedste pannen die er zijn en het vuur wordt aangestoken.

‘Zo, nu hebben we tijd voor een kopje koffie’, beslist Sandra. ‘De eerste gasten zullen ook zo wel komen.’ Een uurtje later is het beslag genoeg gerezen en gaan de meisjes bakken. Het begin is een beetje lastig en de oliebollen die de pan uit komen, zien er niet zo mooi uit.

‘Die mislukkelingen eet jij maar op’, zegt Leonora tegen Tim. Dat vindt hij helemaal niet erg en al snel heeft hij twee misvormde hete oliebollen achter zijn kiezen.

‘Hoi’, roept Tim als even later de deur opengaat, ‘wil je ook een oliebol?’ De meisjes kijken achterom en zien Antonio in de deuropening staan.

‘Ze zijn nog lang niet klaar, hoor’, roepen de meiden, ‘je moet nog wachten.’

‘Hier’, zegt Tim, ‘deze is een beetje mislukt, maar wel heel lekker.’ Hij biedt Antonio een oliebol aan en houdt een schaaltje met poedersuiker voor zijn neus. IJverig gaat hij op zoek naar servetjes als hij ziet dat Antonio zijn vingers aflikt. Nu komen er meer oliebollen de pan uit en Tim gaat met een schaal naar de zaal om ze uit te delen.

‘Kan ik jullie misschien ergens mee helpen?’ vraagt Antonio.

De meisjes schudden hun hoofden.

‘Je mag helpen met het opeten van de oliebollen’, zegt Liza lachend.

‘Dat is een leuk klusje’, grijnst hij, terwijl hij er nog snel eentje van de schaal pikt.

Al snel trekt de geur van verse oliebollen door de zaal waar zich steeds meer mensen verzamelen. Zichtbaar genieten de thuislozen van de warme lekkernij. Met een dankbare glimlach nemen ze de oliebollen van Tim aan.

Tim vindt het fantastisch. Met rode wangen en glinsterende ogen loopt hij af en aan, deelt oliebollen en hete chocolademelk uit en roept enthousiast wie er nog eentje wil. Hij straalt van trots bij elk vriendelijk knikje en elk bedankje dat hij krijgt.

Na een paar uur komt de bodem van de laatste emmer in zicht. De meiden slaken een zucht van verlichting wanneer het laatste beslag sissend in de pan verdwijnt.

‘Ik vond het heel leuk om te doen, maar nu vind ik het welletjes’, zucht Leonora.

Ze pakken eindelijk zelf ook een oliebol en ploffen neer op een stoel.

‘Nu moeten we alles nog opruimen.’ Liza kijkt naar Leonora. ‘Lukt ons dat nog?’

‘Het moet, we doen het gewoon.’

Vastberaden staan ze weer op en pakken poetslappen en maken heet sop. Alles gaat weer glimmen en ruikt weer fris. Tegen het avondeten komen ze uitgeput thuis.

‘Jullie hebben er wel een hele middag van gemaakt, zeg’, zegt tante Liesbeth. ‘En wat stinken jullie.’

‘Natuurlijk stinken we’, roept Tim enthousiast. ‘We hebben oliebollen gebakken voor de zwervers.’

‘Pa’, zegt Leonora, ‘hier is het wisselgeld van de spullen die we gisteren hebben gekocht.’

‘Heb jij daar geld voor gegeven?’ vraagt tante misprijzend.

‘Ja, daar heb ik geld voor gegeven. Om precies te zijn heb ik nog een tientje terug van de 50 euro die ik die meiden had meegegeven’, zegt hij uitdagend.

‘Voor dat geld had ik een mooie blouse kunnen kopen’, mokt tante.

‘Een mooie blouse?’ herhaalt oom Sander vragend. ‘Had je die nodig dan?’

‘Nodig, nodig’, bauwt ze hem na, ‘een blouse kun je altijd goed gebruiken. Die oliebollen zijn alweer verdwenen hoor, met een blouse kun je wel wat langer doen.’

‘Meiden’, zegt oom Sander, ‘vertellen jullie eens, waren die zwervers blij met jullie bakresultaten?’

De meisjes knikken. Ook Tim knikt heftig. ‘Ze waren zo blij en ze vonden het heerlijk’, vertelt hij.

‘Oké, laten we de discussie dan sluiten’, stelt oom Sander voor. ‘Die mensen hebben maar zo weinig fijne dingen in hun leven. Ik denk dat we het er allebei wel over eens zijn dat het belangrijk is om iets goeds voor je medemens te doen. En we hebben genoeg geld, zodat je ook nog wel een blouse kunt kopen.’

Oom Sander pakt een boek en ploft neer in de leunstoel bij de open haard waar een helder vuur in brandt. Tante Liesbeth draait zich met een boos gezicht om en gaat naar de keuken.

Liza, Leonora en Tim kijken elkaar ongemakkelijk aan. ‘Ma heeft wel gelijk dat we stinken’, zegt Leonora, ‘laten we maar gaan douchen en schone kleren aantrekken.’ Ze gaan die avond vroeg naar bed. Ze zijn alledrie doodmoe en morgen moet Liza weer naar de bakkerij.


Het weekend verloopt rustig. Wel worden er voortdurend rotjes in de straten gegooid, want maandag is het oudejaarsdag Op Oudejaarsavond gaan ze met z’n allen naar de kerk. Ook Tim gaat mee.

‘Je mag uit de kerk opblijven’, waarschuwt zijn moeder hem, ‘maar je moet morgenochtend geen smoesjes hebben dat je niet naar de kerk wil, omdat je nog zo moe bent.’

‘Ik ben nog helemaal niet moe’, sputtert hij tegen.

‘Nee, dat komt vanzelf, jongen’, zegt zijn vader lachend. Na de dienst drinken ze met elkaar koffie en Ma zet een schaal oliebollen die bij de oliebollenkraam vandaan komt op tafel.

‘Die van ons waren veel lekkerder, hè Liza?’ zegt Tim als hij een hap heeft genomen. Liza glimlacht.

‘Van ons?’ zegt Leonora plagerig. ‘Alleen van Liza en mij, zul je bedoelen. Jij hebt ze niet gebakken.’

‘Wèl’, stuift Tim driftig op, ‘ik heb ook meegeholpen. Echt waar hoor’, vertelt hij aan zijn ouders.

‘Joh, laat je niet zo opnaaien’, zegt Leonora lachend. ‘Liza en ik hebben toch gezien dat je hard hebt meegeholpen?’

Een beetje wantrouwig nog kijkt hij haar aan, maar na een knipoog van Liza moet hij om het geplaag lachen. Hij nestelt zich in een hoekje van de bank en trekt zijn benen erop. Het duurt niet lang of hij dommelt weg. Oom Sander glimlacht en schuift hem in een wat gemakkelijkere houding. Hij legt een warme plaid over hem heen.

‘Zo, die wordt pas om twaalf uur wakker van het vuurwerk, denk ik’, zegt hij.

De anderen gaan aan tafel zitten en doen met elkaar een spelletje Rummikub Weer komen er allerlei lekkere hapjes en drankjes op tafel. Wat zijn deze dagen toch vreetdagen, denkt Liza verdrietig. Alles lijkt wel om eten en drinken te draaien. Wie is er nu werkelijk dankbaar dat we het jaar met zijn allen mogen eindigen? Liza kijkt de tafel eens rond. Niemand lijkt zich zorgen te maken. Trouwens, is dat eigenlijk wel goed? Je zorgen maken. Met piekeren kom je er niet, zegt Pierre altijd, en daar heeft hij gelijk in. Pa haalt haar uit haar gepeins. ‘Jij bent aan de beurt, Liza.’

Even voor twaalf maakt oom Sander Tim voorzichtig wakker. ‘Wakker worden, jongen. Het is bijna Nieuwjaar.’

‘Wat, wat zegt u?’ mompelt hij. Hij wrijft in zijn slaperige ogen.

Dan slaan de klokken van de Sint-Jan twaalf. Iedereen omhelst elkaar en wenst elkaar alle goede dingen die ze maar kunnen verzinnen.

Dan barst in de binnenstad het lawaai van het vuurwerk los. Als Tim hoort dat de meisjes met Pierre meegaan naar het vuurwerk op de markt, is hij klaarwakker.

‘Mag ik ook mee?’ roept hij. Vragend kijkt hij naar zijn ouders.

‘Zullen we ook naar de markt gaan?’ vraagt oom Sander aan Liza’s vader. Die heeft er wel zin in en trekt zich niets aan van het commentaar van de vrouwen; ze verdwijnen even later richting markt. Daar is het een lawaai van jewelste, maar er wordt ook veel mooi siervuurwerk afgestoken. Er staat bijna geen wind, zodat er een dicht rookgordijn om het stadhuis hangt. Liza snuift de zwaveldamp op. Ze rilt van de kou.

‘We mogen straks wel weer andere kleren aantrekken, we stinken een uur in de wind.’ Leonora lacht. ‘De andere kleren die ik straks aantrek, is mijn pyjama. Ik weet niet wat jij verder nog van plan bent, maar ik ga naar huis.’ Liza vindt het best en ook de beide vaders hebben het wel gezien. Tim wil nog wel uren blijven, maar daar komt niets van in. Pierre is ineens verdwenen. Liza kan wel raden waar hij is. Als ze langs de Tapperij lopen, kijkt ze stiekem naar binnen. Ze ziet hem niet.

‘Over een aantal uur gaan we weer naar huis’, zucht Leonora, ‘ik wil nog wel een week blijven.’

Liza zucht ook. ‘Ik vond het heel gezellig dat jullie er waren. Van mij mag je ook nog een week blijven. Maar helaas, pindakaas.’ De rest van de wandeling zeggen ze niet veel en ze zijn blij als ze een kwartiertje later in hun warme bed liggen.

Op Nieuwjaarsdag, na de middagmaaltijd, komt een taxi de logés weer ophalen om ze naar het vliegveld te rijden. Liza en Leonora omhelzen elkaar stevig.

‘We moeten wel iedere dag even een berichtje sturen, hoor.’

‘Je komt de volgende vakantie maar weer’, beslist Liza.

‘Dat wil ik wel, maar dat kan ik niet betalen’, antwoordt Leonora. ‘Ik ben blij dat ik vanmorgen uit de kerk nog afscheid van Gerard heb kunnen nemen en dat ik zijn telefoonnummer heb gekregen. Ik hou je wel op de hoogte hoe de relatie zich ontwikkelt’, zegt ze met een duur gezicht. Ze proesten het uit.

‘Ik hou jou ook op de hoogte’, zegt Liza zacht. Dan stapt iedereen in en druk zwaaiend uit de raampjes van de taxi verdwijnen ze om de hoek. Ineens is het heel stil in de straat. Liza voelt zich leeg. Ze heeft zo genoten van deze vakantie dat ze nu in een gat valt.

‘Kom’, zegt ma die wel ziet dat Liza zich wat verloren voelt. ‘Zullen we de slaapkamers weer in orde maken? Dat geeft wat afleiding. Zelf kan ik dat ook wel gebruiken. Mijn beste vriendin is ook weer weg, weet je’, zegt ze verduidelijkend.

Het opruimen is inderdaad een goede therapie, maar ’s avonds na de maaltijd gaat Liza toch even naar buiten voor wat ontspanning. Ze voelt zich onrustig. Deze vakantie heeft ze in een sprookjeswereld geleefd. Vandaag is voorlopig de laatste feestdag en de lange, donkere, saaie dagen van januari en februari komen eraan. Ze voelt dat ze nu op een punt staat waarop ze belangrijke beslissingen moet nemen. Het wordt tijd dat ze beslist wat ze na de havo gaat doen en ze moet duidelijker zijn in haar relatie naar anderen toe. Ze wil niet met de gevoelens van anderen spelen. Maar wie geeft haar een aanwijzing wat het beste is? Al piekerend loopt ze de Willem Vroesentuin door. Op een bankje zitten een paar Marokkaanse jongens.

‘Hé, meisje, wàt ga jij doen?’ vragen ze haar. Liza reageert niet en loopt door. Misschien was het niet zo’n goed idee om deze kant op te lopen. Ze gaat iets sneller lopen en komt op het bruggetje. In het straatje achter de Sint-Jan komt ook iemand aanlopen. Ze herkent hem meteen. Verlegen glimlacht ze.

‘Wat ga jij doen?’ vraagt hij verbaasd. ‘Je moet hier niet in je eentje lopen, dat weet je best’, waarschuwt hij.

Liza haalt haar schouders op. ‘Ik ben niet zo bang uitgevallen hoor’, zegt ze.

‘Dat geloof ik wel, maar hier zitten altijd van die jongens’, en met een hoofdknik wijst hij naar het groepje op het bankje.

‘Ik ga wel gillen als het nodig is’, zegt ze stoer, ‘maar wat ging jij eigenlijk doen?’ vraagt ze erachteraan.

‘Ik was op weg naar jou. Ik wilde je vragen of je met me meeging om te varen op de grachten.’

‘Varen, op de grachten?’ vraagt ze verbaasd. Allerlei gedachten tuimelen over elkaar heen in haar hoofd. Zij, varen met een zwerver op de grachten? Wat zal er gebeuren als haar vader haar ziet? Of iemand anders die het hem vertelt? Antonio pakt haar hand en trekt haar voorzichtig mee. Ze smelt als ze in zijn stralende lach kijkt en zijn glanzende ogen ziet. Ze doet het, beslist ze, de hele wereld kan haar gestolen worden. Hand in hand lopen ze achter de kerk langs, naar de opstapplaats van de boten.