Pavarotti, een Kerstverhaal, #10

Hoofdstuk 10

‘Weet je waar ik vandaag zin in heb?’ Liza draait zich om in haar bed en kijkt naar Leonora. Ze schiet in de lach als ze haar slaperige gezicht boven het dekbed uit ziet komen.

‘Waar heb je het over?’ vraagt Leonora schaapachtig. Een lange geeuw komt achter haar vraag aan.

‘Ik heb zin om vandaag op de markt te gaan schaatsen’, verklapt Liza haar plan.

‘Schaatsen? Hoe kom je daar nu bij’, zegt Leonora gepikeerd, ‘ik heb niet eens schaatsen bij me.’

‘Maar dat hoeft ook helemaal niet’, sust Liza, ‘je kunt ze huren.’

Leonora gromt wat en draait zich weer om. Liza is helemaal wakker. Zeker nu ze door een kier in de gordijnen ziet dat het buiten licht begint te worden. Op de wekker ziet ze dat het bijna half negen is. Prachtig, denkt ze, een lekker lange dag voor de boeg. Ze stapt uit bed en kleedt zich aan. Bij het licht van de lamp die boven de spiegel hangt, kamt ze haar lange blonde haar. Haar lichtbruine ogen kijken haar fris en helder aan. In de spiegel kan ze Leonora op de slaapbank zien liggen. Ze maakt nog geen aanstalten om uit bed te komen. Ook goed, denkt Liza, er is vast wel iemand wakker om samen mee te ontbijten.

En ja, als ze de woonkamer in komt, ziet ze tante Liesbeth aan tafel zitten met een tijdschrift. Voor haar ligt een cracker met komijnekaas op een bordje en ze heeft een kopje thee in haar hand.

‘Goeiemorgen’, groet ze Liza en even kijkt ze op van haar tijdschrift.

‘Goeiemorgen’, groet Liza terug en ze gaat tegenover haar aan de tafel zitten. Buiten lopen een paar jongens langs het raam en vlak daarna ontploft een rotje.

‘Ook dat weer, van mij hoeft al dat vuurwerk niet hoor’, moppert tante Liesbeth, ‘het geeft zo veel rommel op straat.’

‘Ja, dat is wel zo’, moet Liza beamen, ‘maar jongens vinden het nu eenmaal leuk om te doen.’

‘Steken jullie nog vuurwerk af met oud en nieuw?’ vraagt tante.

‘Pierre gaat altijd naar de markt om naar het Chinese vuurwerk te kijken. Ik geef er niet zo om, maar misschien ga ik dit jaar wel met Leonora kijken.’

Tante trekt een misprijzend gezicht. ‘Ik heb het er maar niets op, hoor.’

Liza verandert van onderwerp en vraagt: ’Gaat u vandaag ook mee schaatsen op de ijsbaan op de markt?’

‘Schaatsen? Ik?’ vraagt tante verbaasd. ‘Dat is al zo lang geleden. Wij skiën altijd, schaatsen ben ik verleerd, denk ik.’

‘Het is van mij ook alweer een jaar geleden, ik denk dat ik ook weer zal moeten wennen. Kunnen Leonora en Tim schaatsen?’

Tante haalt bedenkelijk haar schouders op. ‘Leonora heeft het weleens gedaan, maar volgens mij Tim nog nooit.’  

Als Tim niet veel later in zijn pyjama naar beneden dendert en van het plan hoort, is hij er meteen voor te porren.

‘Ik ga het leren’, zegt hij vastberaden tegen zijn moeder als die hem eraan herinnert dat hij nog nooit van zijn leven geschaatst heeft.

Dan haalt ze haar schouders op en zegt: ’Mij best.’

‘Je kunt een stoel krijgen om je daaraan vast te houden’, zegt Liza.

‘Hallo, ik ben geen watje, hoor.’

Liza glimlacht spottend. Leonora wil ook mee schaatsen op de ijsbaan en gewapend met muts en handschoenen gaan ze na het middageten met z’n vijven naar de markt. Oom Sander zal foto’s maken en tante Liesbeth gaat aanmoedigen. Pa en ma moeten vandaag in de kerk aan het werk en kunnen dus niet mee.

In de tent achter het stadhuis, waar iedereen zijn schaatsen aantrekt, is het een vrolijk komen en gaan. De vloer glimt van het natte spoor dat schoenen en schaatsen achterlaten, vol ijsgruis en smeltwater. De lucht is een mengeling van natte jassen, kou en de zoete geur van warme chocolademelk.

Bij het kleine loket koopt oom Sander de kaartjes en huurt hij voor Tim en Leonora feloranje schaatsen.

‘Wat een kleur’, zegt Leonora. ‘Dat is zeker tegen het jatten? Wie wil er nu met zulke schaatsen op een natuurijsbaan komen?’

Liza lacht. Ze had er nog niet aan gedacht wat nu de reden was van de opzichtige kleur van de schaatsen. Misschien heeft Leonora wel gelijk. Liza heeft haar eigen schaatsen meegenomen.

‘Daar is een plekje vrij,’ zegt oom Sander, terwijl hij wijst naar een bankje dat net vrijkomt als een jong gezinnetje opstaat en voorzichtig, wiebelend op hun schaatsen, richting de ijsbaan schuifelt.

Tim heeft als eerste zijn schaatsen aan en loopt naar de ijsbaan.

‘Ik ga vast hoor, sloompies’, roept hij tegen de meiden. Leonora kan het niet laten haar tong uit te steken.

‘Wacht maar, mannetje’, roept ze terug, ‘ik schaats je er zo meteen uit.’

Niet veel later staan ook Liza en Leonora op de ijsbaan. Het is druk en ze moeten voorzichtig doen om niet meteen al onderuit te gaan. Liza heeft vorig jaar nog geschaatst en het kost haar weinig moeite om op gang te komen. Voor Leonora is het langer geleden.

‘Ik denk dat je vijf jaar geleden voor het laatst op schoolreisje op de kunstijsbaan bent geweest, is het niet?’ vraagt tante aan Leonora. Toch heeft ook zij de slag gauw te pakken.

De lucht is vol van het vrolijke geroezemoes van lachende mensen en het geluid van krassende schaatsen op het ijs. Kinderen schieten voorbij, sommigen nog onzeker, anderen al verrassend snel. Een kindje glijdt uit en belandt met een plof op zijn achterwerk. Dapper krabbelt het weer overeind om verder te gaan. Langs de kant van de ijsbaan loopt oom Sander onvermoeibaar rondjes en doet verwoede pogingen om de snelle henkies op de foto te krijgen.

‘Hoeveel foto’s heb je wel niet gemaakt?’ vraagt tante als hij na een rondje rond de baan weer bij haar terugkomt.

‘Ik zou het niet weten, schat. Het maakt ook niet uit. Wat niet goed is, gooi ik er gewoon weer vanaf.’ Driftig gaat hij weer verder met klikken in een poging zijn kinderen en Liza vast te leggen.

‘Zet ‘m op, Tim!’, roept hij. ‘Zet ‘m op, meiden!’

‘Hebt u het niet koud?’ vraagt Liza als ze na een heleboel rondjes schaatsen aanlegt bij oom en tante.

‘Warm is anders’, zegt tante rillerig.

‘U kunt in de koek-en-zopietent iets gaan drinken en opwarmen’, stelt Liza voor. Ze wijst naar het einde van de ijsbaan, waar een grote tent staat. Uit het dak komt een rookpluim en binnen, voor zover je dat kan zien, staan tafeltjes en stoelen.

‘Goed idee, meid’, zegt oom en trekt tante mee richting tent. ‘We zien jullie straks wel’, roept hij naar de meisjes.

‘Hij denkt zeker dat wij het ook koud hebben’, zegt Leonora, die bij Liza is komen te staan. ‘Nou, ik zweet anders peentjes.’

‘Lekker’, zegt Tim, die met een bonk tegen Leonora aanschaatst.

‘Het is helemaal niet lekker dat je tegen me aanschaatst’, moppert Leonora.

‘Maar peentjes zijn wel lekker’, kaatst Tim terug.

‘Peen voor je hoofd’, scheldt Leonora hem na als hij snel weer verder schaatst.

Liza bekijkt het gebekvecht maar eens en stelt voor weer verder te schaatsen. Dan ziet ze langs de buitenkant van de ijsbaan een oranje muts lopen. Ze voelt zich verlegen worden. Zou hij haar zien? Ineens draait hij zijn hoofd naar haar toe en kijkt hij haar aan. Ze remt af en glijdt langzaam zijn richting uit. Hij klimt de sneeuwlaag op die om de ijsbaan heen is gelegd en legt zijn armen over de rand.

‘Gaat het goed?’ informeert hij vriendelijk. Liza glimlacht en knikt verlegen.

‘Laat eens wat zien’, zegt hij dan.

‘Nee, joh’, zegt ze verschrikt. Ze moet er niet aan denken dat hij haar zal bekijken als ze schaatst.

‘Kom je ook schaatsen?’ zegt ze dan. Hij doet het toch niet, denkt ze bij zichzelf. Antonio kijkt haar met zijn indringende donkerblauwe ogen aan. Liza voelt zich nog meer verlegen worden. Stom om dat te vragen; hij heeft er geen geld voor en zij heeft ook niet genoeg bij zich om het voor hem te betalen.

Langzaam komt er een glimlach op zijn gezicht en hij zegt: ‘Ik ga een keer met jou schaatsen. Maar dan gaan we niet overdag met al die kleintjes eromheen. Nee, dan gaan we ’s avonds als het donker is. Dat is pas romantisch.’ Hij geeft haar een knipoog en draait zich om, Liza verward achterlatend. Ze kijkt hem na en ziet dat hij meeloopt met een gebogen figuur in een armzalige jas en een grote flaphoed op. Ze kent die zwerver wel. Vroeger liep hij altijd te schreeuwen en te vloeken, maar ze kan zich niet herinneren dat hij dat nu nog steeds doet. Misschien is die man wel blij dat hij iemand heeft die een praatje met hem maakt. Liza ziet dat Antonio iets uit zijn zak haalt en aan de zwerver geeft. Deze zet er meteen zijn tanden in. Waarom zou Antonio zijn eten weggeven of in ieder geval delen met iemand anders? Hij ziet er zelf soms zo bleek uit en hij is best mager. Waarom doet hij dat? Liza snapt er niet veel van, maar diep in haar hart is ze trots op hem.

Dan komt in alle hevigheid haar schuldgevoel weer naar boven. Ook vandaag is ze weer plezier aan het maken, terwijl er zoveel mensen in de stad zijn die het koud hebben en hongerig zijn. Langzaam schaatst ze verder. Bij de ingang van de ijsbaan ziet ze Leonora staan.

‘Mijn hielen zitten vol blaren’, klaagt deze, ‘ik ga ermee stoppen.’ Liza vindt het wel best. De lol is er eigenlijk een beetje af. Waarom moet ze altijd met zwervers geconfronteerd worden? Waarom trekt ze zich het leed van hen zo aan? En waarom weet ze niet hoe zij ze moet helpen? Dat frustreert haar nog het meest. Had ze maar veel geld, dan kon ze wat doen. Maar ze is zelf afhankelijk van anderen. Dan komt er een klein stemmetje in haar hoofd dat zegt dat je in plaats van geld ook je tijd kunt geven. Tijd? denkt ze, hoe dan?

In de verkleedtent trekken ze hun schaatsen weer uit. Met veel moeite en pijn krijgt Leonora haar schoenen weer aan.

‘Thuis moet je maar pleisters op je hielen plakken’, raadt Liza haar aan. Ze leveren hun schaatsen in en gaan Tim zoeken op de ijsbaan.

‘Tim’, roept Leonora als ze hem langs zien komen, ‘wij gaan chocolademelk drinken bij pa en ma in de tent aan de andere kant van de ijsbaan.’

‘Ik blijf nog schaatsen. Ik wil nog niet stoppen’, roept hij terug.

‘Heb je dan nog geen blaren?’ roept Leorona weer.

‘O, vast wel, maar daar let ik gewoon niet op’, lacht hij.

‘Jij lijkt op een echte Hollandse jongen’, zegt Liza, ‘die geven nooit op, toch?’ Trots kijkt Tim haar aan en hij schaatst weer verder.

Langzaam lopen de meiden naar de restauratietent.

‘’t Is maar goed dat Gerard je zo niet ziet’, zegt Liza, wijzend op Leonora’s voeten.

‘Misschien was het juist wel goed geweest, dan had ik op z’n arm kunnen leunen.’ Liza ziet een vrolijk licht in Leonora’s ogen. Ze verbaast zich erover hoeveel liefde, of moet je verliefdheid zeggen, kan doen met een mens. Ook met Leonora, die zo chagrijnig was voordat ze Gerard ontmoette.

Ze kijken zoekend in het rond als ze de tamelijk donkere tent binnenkomen. Leonora’s vader en moeder zitten aan een tafeltje in het midden van de tent. Oom Sander is in gesprek met twee mannen die ook aan het tafeltje zitten. Liza kan niet zien wie het zijn, omdat ze met hun rug naar hen toe zitten. Tante Liesbeth zit wat verveeld met haar kopje koffie te spelen. Ze begint enthousiast te wuiven als ze de twee meiden ziet. Pas als ze vlakbij het tafeltje zijn, ziet Liza wie er nog meer zitten. Het zijn Antonio en zijn zwervervriend. Antonio kijkt op als de meiden naast het tafeltje staan.

‘Hé’, zegt hij verrast en een brede glimlach komt op zijn gezicht. Hij staat op en pakt twee stoelen bij een ander tafeltje vandaan en zet ze in de kring.

‘Kennen jullie elkaar?’ vraagt oom Sander aan Antonio.

‘We kennen elkaar van gezicht’, haast Liza zich te zeggen.

Oom Sander kijkt haar onderzoekend aan. ‘Jullie hebben een kleur gekregen van het schaatsen’, zegt hij dan maar.

Liza gebruikt de opmerking om naar Leonora te kijken, die aan haar moeder verslag uitbrengt over haar blaren.

‘Zal ik chocolademelk voor jullie halen?’ vraagt oom aan de meiden. ‘En is er misschien nog iemand die koffie wil?’

Tante schudt haar hoofd. ‘Ik heb genoeg op.’

Dan kijkt hij vragend de twee zwervers aan. ‘Jullie nog?’ vraagt hij. ‘Ik betaal’, voegt hij eraan toe. Antonio bedankt, maar zijn zwerversvriend lust nog wel chocolademelk.

‘Dan kan ik er weer een poosje tegen’, zegt hij. Even later komt oom Sander terug met een vol dienblad. Hij zet voor de meiden een kop chocolademelk neer. De zwervers krijgen ieder een dik belegd broodje en Antonio’s vriend een kop chocolademelk erbij.

‘Vindt u het goed als ik het nog een poosje bewaar?’ vraagt Antonio aan oom Sander.

‘Best hoor, jij weet wel wanneer je het het hardst nodig hebt.’

Antonio haalt een plastic zakje uit zijn jaszak tevoorschijn en doet voorzichtig het broodje erin. Zijn vriend zit heerlijk smakkend te eten. Liza ziet dat tante Liesbeth griezelt. Oom Sander zit glimlachend toe te kijken. Nu begrijpt Liza ineens waar Tim zijn zorgzame karakter vandaan heeft; ze denkt terug aan het moment waarop hij een stukje kerstkrans aan Antonio gaf.

‘Eerste kerstdag kunnen we ook lekker eten’, zegt Antonio tegen zijn vriend.

‘O ja? Waar dan?’ vraagt deze met volle mond. De kruimels zitten in zijn warrige baard, maar zijn ogen staan heel belangstellend.

‘Je moet om vier uur bij het inloophuis op de Gouwe zijn. Niet vergeten hè?’ voegt hij er waarschuwend aan toe. Zijn vriend knikt enthousiast. Dan kijkt Antonio Liza veelbetekenend aan. Ze voelt meteen wat hij bedoelt: de uitnodiging voor zijn vriend geldt ook voor haar. Liza is verbaasd dat ze zo snel een antwoord heeft gekregen op haar eigen vraag over hoe ze haar vrije tijd voor een ander zou kunnen inzetten. Ze weet eigenlijk nu al dat een paar extra vrijwilligers meer dan welkom zullen zijn.

Oom Sander vraagt nog van alles aan Antonio’s vriend. Liza kijkt naar tante Liesbeth en ziet dat die geforceerd met Leonora aan de praat is. Ze kijkt Antonio aan en zegt haast onhoorbaar: ‘Oké.’

‘Niet vergeten, hè?’ zegt hij zacht terug. Ze glimlacht voorzichtig en roert in haar chocomel. Dan staan de zwervers op en bedanken ze nogmaals voor al het lekkers.

‘Ik kan er weer een poosje tegen’, zegt Antonio’s vriend nog een keer en wrijft over zijn buik. Zijn lange grijze jas hangt flodderig om zijn lijf. Zijn haar is ongekamd en hangt tot op zijn schouders. Antonio zet zijn oranje ijsmuts weer op, maakt een buiging de kring rond en groet. Dan gaan ze langzaam de tent uit.

‘Bah’, zegt tante Liesbeth, ‘wat zagen die eruit.’

‘Gelukkig hebben we ze wat te eten kunnen geven’, zegt oom Sander.

‘Noem dat maar gelukkig, mijn middag is niet verlopen zoals ik het graag had gewild.’ Ze kijkt bokkig voor zich uit. Leonora zegt niets en kijkt langs de andere tafeltjes in de tent. Ze voelt zich duidelijk ongemakkelijk met dit gesprek. En misschien hoopt ze wel dat Gerard er ook is, denkt Liza.

‘Maar’, gaat oom Sander verder, ‘het is veel beter om zulke mensen eten te geven dan dat je ze geld geeft. Daar kunnen ze alleen maar verkeerde dingen van kopen, zoals drugs en drank.’

‘Ja, dat moest er nog bij komen, dat je je goeie geld aan die lui ging geven.’ Liza kijkt met stijgende verbazing naar de uitbarsting van tante Liesbeth.

‘Kijk, oude, zieke mensen die op straat leven, daarvan kan ik nog begrijpen dat zij niet meer normaal in de maatschappij mee kunnen draaien. Maar dat zulke jonge, gezonde knullen langs de straat lopen te slenteren, dat begrijp ik niet. Er is toch zeker werk zat? Laat ze aan de slag gaan.’

Liza buigt haar hoofd en roert in het laatste restje choco.

‘Ze zullen wel verslaafd zijn’, vervolgt tante haar tirade, ‘ze zagen er zo wit uit. Je mag wel uitkijken dat je niet verder met ze aanpapt’, vervolgt ze tegen oom Sander, ‘voor je het weet ben je je portemonnee kwijt. Zulke lui weten precies waar je je geld stopt.’ Oom Sander zegt niets. Het is een poosje stil en in die stilte kijkt Liza oom Sander aan. Voorzichtig, zodat tante Liesbeth het niet ziet, geeft hij haar een knipoog. Liza voelt de tranen achter haar ogen branden. De meiden hebben weldra hun choco op en ze staan allemaal op om naar huis te lopen.

‘Ik schaam me voor mijn moeder’, zegt Leonora zacht tegen Liza, ‘ik wist niet dat ze zo hatelijk kon doen.’

‘Trek het je maar niet aan. Misschien heeft ze vroeger wel nare ervaringen met zwervers gehad.’ Langzaam lopen ze verder.

‘Van winkelen komt ook niet veel als je blaren hebt’, zucht Leonora. ‘Volgende week dan maar.’

‘Tim houdt het wel uit, hoor’, zegt oom Sander, ‘ik ga eens kijken hoe het met hem gaat.’ Ze gaan langs de ijsbaan staan en kijken hoe Tim moeiteloos over het ijs sjeest.

‘Dat heeft hij snel geleerd’, zegt tante Liesbeth trots. Ze is blijkbaar alweer vergeten dat haar middag in het honderd is gelopen.

Het begint al te schemeren en in de winkels branden de lampen. De lantaarns op de markt met de prachtige glas-in-lood-lampenkappen verspreiden een zachtgeel licht. De tijd die Tim mocht schaatsen is voorbij en even later zit hij in de tent op de houten banken zijn schaatsen uit te trekken.

‘Heb jij geen blaren?’ vraagt Leonora aan hem.

‘Blaren, die zijn voor watjes’, zegt hij.

‘Hier heb je een stomp van een watje’, voegt zijn zus er direct aan toe en trakteert hem op een por tegen zijn arm.

‘Hé, joh’, zegt hij verbaasd, maar dan begint hij gemeen te lachen. ‘Heb jij blaren?’ grijnst hij. ‘Lekker puh.’ Maar als hij even later zijn schoenen aan probeert te trekken, blijkt er bij hem toch ook het een en ander aan de hand te zijn.

‘O, ik kan er wel tegen’, zegt hij stoer, maar hij loopt toch niet zo snel met de anderen mee over de kinderkopjes op de markt. Thuis gooit oom Sander een blok hout op het haardvuur dat weldra heerlijk brandt. Als pa en ma wat later ook thuiskomen, vertelt Tim hen enthousiast over hun schaatsbelevenissen.

‘We eten vanavond gemakkelijk, want we moeten bij het concert zijn dat in de kerk gehouden wordt’, vertelt moeder. ‘Ik ga in de schuur patat bakken. Wie helpt me?’

Tim is voor het klusje te porren en Liza gaat de tafel dekken. Tante Liesbeth helpt Leonora bij het verzorgen van haar blaren.

‘Tim, zal ik pleisters op je hielen plakken?’ roept tante vanuit de achterdeur naar de schuur. Tim steekt zijn hoofd naar buiten en schudt verwoed zijn hoofd.

‘We hebben voor iedereen vrijkaartjes voor vanavond weten te krijgen’, zegt pa. ‘Er treden 3 mannenkoren op met in totaal 450 zangers. Wat vinden jullie ervan?’

Oom Sander en tante Liesbeth hebben er wel oren naar en ook Liza en Leonora gaan graag mee. Tim grijpt iedere kans aan om laat naar bed te gaan, zodat ze rond half acht allemaal het straatje oversteken en de kerk ingaan.

Op aanraden van pa hebben ze zich dik aangekleed, omdat de plaatsen in het schip waar het niet tocht, allemaal al bezet zijn door familieleden en vrienden van de koorleden. In de rest van de kerk, buiten het schip, voel je de wind langs je oren waaien.

Liza geniet intens van de avond. Wanneer alle mannenstemmen tegelijk inzetten, rolt het geluid als een warme golf door de kerk. Er loopt kippenvel over haar rug. Het lied ‘For unto us a Child is born’ raakt haar diep. Unto us a Son is given, and the government shall be upon His shoulder, and His name shall be called: Wonderful, Counselor, Prince of Peace.

Het klinkt prachtig, maar bij het lied ‘Hoe zal ik U ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet?’ en later bij ‘Nog eens zal Hij verschijnen als Richter van ’t heelal’ begint Liza toch weer te piekeren.

Ze gaat haar eigen leven na. Is dit nu de bedoeling, zoals zij leeft? Wat betekent ze nu eigenlijk voor een ander? Hoe zou zij beoordeeld worden als ze aan de beurt was en als de Koning van het heelal terug zou komen? Ze komt er weer niet uit en haar hart zucht: Heere, vertel me hoe ik leven moet.

Na afloop schuifelt ze met de menigte naar de uitgang. Hier en daar groet ze een bekende. De deur kan maar met moeite opengehouden worden; zo’n sterke zuigkracht van de wind staat er in het gangetje. Wat verdwaalde sneeuwvlokken waaien naar binnen.

Thuis drinken de ouderen nog een wijntje en de jongeren een glaasje vruchtensap. Ma maakt wat toastjes klaar die ze belegt met brie en gerookte zalm. Ze zet wat chocoladekerstklokjes op tafel waar Tim direct op aanvalt. Hij krijgt gelijk van tante Liesbeth een vermaning en wordt even later, onder het mom van morgen niet uitgeslapen zijn, naar zijn bed gestuurd. Liza ziet dat hij in de keuken nog gauw een toastje met zalm pikt. Als hij langs de kamer loopt om naar de trap te gaan, fronst Liza haar wenkbrauwen en kijkt ze hem quasi-verwijtend aan. Gauw legt hij zijn vinger tegen zijn lippen en dan moet ze toch weer lachen. Lekker joch, denkt ze.


Hier is een leuk artikel over een koek-en-zopie ervaring:

https://dutchreview.com/culture/food/discovering-festive-dutch-food-koek-zopie/