Beestenboel

Eindelijk, vakantie!

Ik neurie een liedje terwijl ik mijn auto over de overvolle highway de stad uit rijdt.

Ik ga in mijn eentje kamperen!

Wie had dat ooit gedacht?

Ik, de huismus, die veel waarde hecht aan de comfortabele geneugten van mijn appartement.

Ik ga vannacht in een tent slapen.

Ja, ik heb dat vaker gedaan, echt wel, maar altijd was ik in de buurt van vrienden die op hetzelfde terrein kampeerden.

Dit keer is het anders.

Ik ga zonder familie of vrienden op pad en alleen mijn jongste zoon weet welke richting ik opga en waar ik van plan ben mijn tent op te zetten.

Just in case…

Niet dat hij enig besef heeft waar de kampeerplaats is als hij er hals over kop naar toe zou moeten rijden, maar je weet maar nooit of hij de hulp van zijn broers in zal roepen en me gaat zoeken mocht ik een SOS-berichtje sturen.

Ik laat de stad achter me en het verkeer wordt minder.

Ik tuf vrolijk door. Ik heb er echt zin in.

De lucht is bewolkt, maar hier en daar piekt er een zonnestraal tussen de wolken door.

Ik heb er rekening mee gehouden dat het kan gaan regenen.

In geval van nood zal ik in mijn auto slapen. De achterbak is groot genoeg om mij opblaasmatras in te leggen.

Om 11 uur rijd ik het kampeerterrein op.

Tussen de bomen staan kleine paaltjes met nummers die de parkeerplaatsen aanduiden.

Ik heb deze camping uitgekozen omdat je er geen reservering hoeft te maken.

Ik rijd langzaam over de hobbelige paden die in kronkels tussen de bomen aangelegd zijn.

Ik kies een parkeerplek vlak bij de rivier en vlak bij een uithuisje.

Vijf plaatsen verderop staat een kamper. Een ouder stel zit in tuinstoeltjes een boek te lezen. Ze kijken niet op of om.

Ik stap uit en volg het paadje dat naar de rivier leidt.

Een klein watervalletje stroomopwaarts maakt een rustgevend geluid.

Ik adem diep de frisse boslucht in en zucht. Heerlijk is het hier.

Misschien blijf ik wel langer dan een nachtje. Ik zie wel hoe het bevalt.

De rit hiernaartoe heeft me hongerig gemaakt.

Uit de auto haal ik wat blokjes hout en ik maak een vuurtje in de metalen vuurkorf die elke parkeerplaats rijk is.

Ik installeer me in een makkelijke tuinstoel en open mijn koelbox.

Op het rekje van de vuurkorf leg ik een hamburger en een hotdog.

Terwijl die bakken zoek ik in de struiken een lange, dunne stok.

Ik prik er een spekkie aan en houd het boven het vuur.

Omdat ik wegdroom en niet oplet, vliegt het spekkie in de fik.

Ik blaas het brandende spekkie uit en zie dat er niet veel van over is.

Waarom wilde ik eigenlijk spekkies roosteren boven het vuur?, vraag ik me af.

Ik weet dat ik het vies vind en veel te zoet.

Ik leg de stok op de grond en pak de zak met marshmallows.

Ik steek zo’n wit rond ding in mijn mond. Hmm, veel lekkerder dan dat verbrande spul.

Ondertussen draai ik het vlees om totdat het er goed genoeg uitziet om op te eten.

Ik diep een broodje, kaas, sla, uitjes, ketchup en mayo op uit de koeler en maak een heerlijke lunch klaar.

Terwijl ik luister naar de vogels in de bomen en hier en daar takjes hoor kraken, voel ik een onrustig gevoel opkomen.

Ik kijk rond of ik iemand zie waardoor dit gevoel veroorzaakt wordt, maar alles lijkt normaal.

Het oudere stel zit niet meer in hun stoeltjes. Die zijn zeker een wandelingetje gaan maken of even op hun bed in de kamper gaan liggen.

Ik besluit een rondje te gaan lopen en het kampeerterrein te verkennen.

Voor de zekerheid zet ik mijn koeler in de auto en sluit die af. Ik wil niet het risico lopen dat een beer in mijn koeler duikt en alles opeet.

Ik loop over de kronkelpaadjes en verbaas me erover hoe weinig mensen er zijn.

Na een heerlijk wandelingetje kom ik terug bij mijn campingplek en maak een kop koffie.

Ik neem mijn koffie en een boek mee naar de waterkant en breng daar het grootste gedeelte van de middag door.

Ik moet in slaap gevallen zijn, want opeens schrik ik dat het al zo donker begint te worden.

Ik haast me overeind en ga terug naar mijn kampeerplek.

In de verte tussen de bomen zie ik een vuurtje van andere kampeerders.

De kamper van de oudere mensen is verdwenen.

Ineens voel ik me een beetje verlaten.

Ik draai een rondje om te zien of er verder nog mensen te bespeuren zijn maar het blijft bij het ene vuurtje in de verte.

Ik por de smeulende kolen in mijn vuurkorf op en weldra brandt er ook op mijn kampeerplek een lekker vuurtje.

Ik sla een warme deken om mijn schouders en staar in de vlammen.

Weer overvalt me dat beklemmende gevoel dat ik eerder die dag had.

Het is nu bijna donker. Vaag zie ik de lichte lucht tussen de donker wordende boomtoppen door.

Het is bijna 9 uur en ik besluit dat het mooi genoeg is geweest voor vandaag.

Ik maak mijn bed in de auto in gereedheid. Ik heb niet de moed om in mijn tent te gaan slapen.

Als laatste loop ik met mijn lantaarntje naar het uithuisje.

Ik voel me bekeken maar ik zie niets bijzonders. Geen oplichtende ogen die me aanstaren of gekraak in de struiken die een hert verraden.

Niets, helemaal niets dan alleen een zwaar gevoel.

Ik slaak een zucht van verlichting als ik in mijn achterbak kruip en de sloten van mijn auto op slot klik.

Ik heb de voorramen op een ieniemienie kiertje open laten staan voor wat frisse lucht.

Ik nestel me in mijn slaapzak en doe mijn lantaarntje uit.

Het duurt even voordat ik wegzak.

Ik luister naar de stilte die verbroken wordt door verdwaalde druppels die van de bomen op mijn dak vallen. Het begint te regenen en door het getikkel van de druppels op m’n dak val ik in slaap.

Midden in de nacht schrik ik wakker van een afgrijselijk kreet.

Ik lig verstijft in mijn slaapzak en durf geen vin te verroeren.

Wat was dat?

Was dat een van de andere kampeerders?

Het klonk niet menselijk en zo besluit ik dat het een dier in doodsnood moet zijn geweest.

Misschien een hert dat overvallen werd door een bergleeuw?

Net als ik me wat ontspan hoor ik eenzelfde kreet, nu veel dichterbij.

Ik hou mijn adem in. Mijn hart gaat als een razende tekeer.

Weer vraag ik me af wat dat wel mag zijn.

Nu beginnen ook andere vragen zich aan me op te dringen.

Wat moet ik doen als dat beest bij mijn auto komt?

Zijn er andere kampeerders die me kunnen helpen als het nodig is?

Zouden die kampeerders er nog wel zijn?

Ik lig als een stijve stok in mijn slaapzak. Ik wacht op wat er komen gaat.

Wanneer zal de volgende kreet komen? Hoe dichtbij zal dat zijn?

Mijn gedachten dwalen onwillekeurig af naar vroeger.

Mijn slaapkamer was vlak onder het dak.

Als het onweerde, knalde de donder vlak boven me uit elkaar.

Ook toen lag ik verstijfd in mijn bed wachtend op de volgende slag, te bang om mijn bed uit te komen en naar beneden naar mijn ouders te rennen.

Wat als de donder of de bliksem me zou treffen op het moment ik onder mijn veilige dekens tevoorschijn zou komen en ik niet op tijd in de bescherming van de slaapkamer van mijn ouders kwam?

Weer hoor ik een brul, nu vlak boven mijn auto.

Wat moet dat voor monster zijn, dat het boven mijn auto uittorent?

Ik draai mijn ogen en speur langs de ramen die zichtbaar zijn vanuit de positie waarin ik me bevind. Daarbuiten is niets dan inktzwarte duisternis.

Dan begint mijn auto te schudden.

Ik word misselijk van angst en voel me heel licht in mijn hoofd.

Ik krimp in elkaar van een harde klap boven op mijn auto.

Het klinkt alsof iemand met zijn vlakke hand op het metalen oppervlak slaat.

Ik hoor gekraak van takken. Het wezen verwijdert zich.

Twee minuten later hoor ik weer een ijselijke kreet, nu in de verte.

Is dat hetzelfde monster, of is dat een andere?

Het moet vast een ander zijn, besluit ik. Hij kan zich vast niet zo snel verplaatsen. Of kan hij dat wel?

De rest van de nacht breng ik door met het wachten op de eerste glimpen van licht in de lucht.

Pas als ik er zeker van ben dat er genoeg licht is zodat ik tussen de bomen door kan kijken, verlaat ik mijn auto.

Razendsnel en telkens om me heen kijkend klap ik mijn campingstoeltje in, die de nacht buiten heeft gestaan, en smijt het in de auto.

Ik ben blij dat ik niet mijn tent op heb gezet. Dat scheelt een hoop stress.

Eigenlijk moet ik heel erg naar de wc maar ik durf niet bij mijn auto weg te lopen.

Ik moet hier wegwezen.

Om me heen spiedend maak ik een rondje om mijn auto om er zeker van te zijn dat ik niets vergeet.

Ineens blijf ik stokstijf staan.

Ik staar naar de grond waar een voetafdruk van zeker 50 cm staat.

Bigfoot, flitst het door me heen. Bigfoot woont hier!

Op het moment dat ik me dat realiseer kijk ik nog een keer snel om me heen en spring dan in mijn auto.

Ik volg de pijlen die naar de uitgang wijzen en let niet op de hobbels en kuilen in de weg waar ik veel te snel overheen rijd.

Ik kom niemand tegen op mijn weg naar de uitgang.

Iedereen is al eerder dan mij gevlucht, naar het schijnt.

Hoewel het een heel speciale ervaring was, denk ik toch niet dat ik nog ooit weer in mijn eentje ga kamperen.

Veel te griezelig, vind je niet?

Laat wat van je horen...