Nummer acht…nummer negen…nummer tien. Fietsenmaker Bart legt het laatste kerstcadeautje op de keukentafel. Allemaal donkerrode en donkergroene pakjes, met goud en zilver gestrikte linten. ‘Joy – Hope – Peace’ staat er op de linten. Vanavond gaat hij ze rondbrengen. Vanavond als het donker is. Vanavond, tijdens de kerstnachtdienst. De dorpelingen zullen vroeg in de kerk zitten wat hem genoeg tijd geeft de pakketjes op de stoepen bij de voordeuren te leggen. Niemand zal weten dat ze van hem komen.

De houten keukentafel ligt vol met rollen pakpapier en rollen lint. Bart pakt twee pakketjes op. Hij heeft ze keurig ingepakt in rood en groen geblokt kerstpapier. Een gouden strik maakt het geheel compleet. Deze cadeautjes zijn voor de tweeling van Joop en Sanne. Wilde jongens zijn het. Vorige week waren ze met zijn tweeen op een fiets de dijk afgereden. Onder aan de dijk kwam een auto aanrijden. De ondeugd die voorop zat gooide het stuur om. De tweeling klapte niet op de auto, maar wel tegen een boom. Ze braken allebei een been. Bart had zijn hoofd geschud toen vader Joop de kapotte fiets kwam brengen. Hij had beleefd geluisterd naar het hele verhaal, maar om zijn mond trok een glimlach. Hij mocht die tweeling wel. Met de racebaan die hij voor hen had gekocht zou moeder Sanne niet te veel last van ze hebben tijdens de kerstvakantie.
Bart legt de cadeautjes terug op de stapel. Hij trekt zijn grijze wollen gilet met donkerrode ruit, aan de punten recht. De boord van zijn hagelwitte overhemd knelt. Hij stopt zijn vinger tussen zijn hals en het boord en verschuift zijn zwarte strikje. Het helpt niet veel.
Hij pakt een ander cadeautje op. Deze is voor Jans die 90 is geworden. Jans’ ogen worden slecht. Bart heeft een boek met extra grote letters voor haar gekocht. Wat zal ze blij zijn als ze kan lezen zonder haar loep.
Het pakketje voor Erika voelt zacht aan. Erika zakte voor haar Havo-examen. Een paar warme sloffen met dierenkoppen zullen wel van pas komen als ze zit te studeren op haar zolderkamertje.
Bart trekt een keukenstoel onder de tafel vandaan. Hij gaat er achterste voren op zitten en legt zijn armen op de rugleuning. Hij laat zijn hoofd er boven op zakken. Hij zucht diep. Dan slaat hij zijn beide handen voor zijn gezicht. Een paar tellen blijft hij zo zitten. Dan zucht hij nog een keer en hijst zich van de stoel omhoog. De stoel schuift hij terug onder de tafel. Hij kijkt op zijn horloge. Hoogste tijd om te gaan.
Bart trekt zijn jas aan en knoopt hem dicht. Hij pakt een enorme boodschappentas van de kapstok en stopt de cadeautjes erin. Hij tilt de zware tas op en doet het licht van de lamp boven de tafel uit. Het lichtje boven het gasfornuis laat hij branden. Dan gebeurt het. Bart loopt langs de tafel naar de deur die toegang tot de werkplaats geeft. Een van de hengsels van de tas slipt uit zijn handen en valt over de leuning van een eetkamertafelstoel. Bart let er niet op en loopt door. Dan krijgt hij een ruk aan zijn arm en met een schok komt hij tot stilstand. Hij zwiebert op zijn benen en verliest zijn evenwicht. Met een klap komt hij op de grond terecht.

Linzy’s vriendinnetje, Julie, die voor haar in de kerkbank zit, draait zich om.
‘Wie zal er dit jaar aan de beurt zijn om een cadeautje te krijgen?’ fluistert ze. Linzy haalt haar schouders op. ‘Ik weet het niet’, zegt ze zacht terug.
‘Ik hoop dat ik het ben’, fluistert Julie weer.
‘Waarom?’ vraagt Linzy verbaasd, ‘je bent toch niet ziek geweest?’
‘Ik wel’, mengt Julie’s jongere broertje zich in het gesprek. ‘ik heb de griep gehad.’ Julie proest het uit. Ook Linzys ogen lachen achter de glazen van haar ronde bril. Ze schud haar lange blonde haren naar achteren. Dat doet ze vaker als ze probeert niet in lachen uit te barsten. Julie’s moeder trekt broertje aan zijn mouw. ‘Rechtzitten maar weer’, zegt ze gedempt.
Op kerstavond is het altijd donker in de kerk. De koster draait de lampen laag en hier en daar branden kaarsen. Zo gezellig, maar daardoor zie je niet goed wie er laat binnenkomt. Alleen Linzy en haar mam zien het. Zij zitten op de achterste rij en laatkomers schuiven altijd ben hen in de bank.
‘Mam’, zegt Linzy zacht, ‘buurman Bart is wel erg laat vanavond. Zal ik gaan kijken waar hij blijft?’, vraagt ze bezorgd.
‘Wacht nog maar even’ zegt mam, ‘Hij komt vast wel.’
Linzy zit op het randje van de bank. Telkens kijkt ze stiekem achterom naar de deur. Buurman Bart is er nog steeds niet.
De fietsenmaker is het afgelopen jaar een goede vriend van Linzy geworden. Uit school glipt ze vaak door de zijdeur van de winkel naar de werkplaats waar Bart fietsen repareert. Vorig jaar, vlak na de Kerst, verloor Linzy haar vader door een auto-ongeluk. Buurman Bart kwam naar de begrafenis en na de ceremonie vroeg hij of ze hem misschien af en toe in de werkplaats wilde helpen. Sinds die tijd moet mam haar altijd voor het avondeten komen roepen. Linzy vergeet finaal de tijd als ze in de winkel is. Mam trouwens ook. Die praat nog met Bart als Linzy al lang haar jas aanheeft en de winkel uit loopt.
Dan, voordat haar mam haar tegen kan houden, glijdt Linzy de kerkbank uit. De koster heeft de deur al dichtgedaan. Zo blijft de kou buiten en de warmte binnen. Ze duwt de zware deur open en piept naar buiten. Achter zich hoort ze het zondagschoolkoor kerstliederen zingen. Voor zich ziet ze een gordijn van witte sneeuwvlokken. Linzy’s ogen stralen. Ze raapt een handvol sneeuw van de ijzeren trapleuning, kneedt een stevige bal en gooit hem het over het marktplein waaraan de kerk en de winkels staan.

Zo snel ze kan zonder uit te glijden, haast ze zich naar de fietsenwinkel.
In de winkel branden kleine kerstlichtjes in het raamkozijn. Linzy loopt voor de winkel langs en gaat de hoek om naar de zijkant van het pand. Ze voelt aan de deur naar de werkplaats. De deur geeft mee. In de werkplaats is het donker. Achterin is de deur naar Barts keuken. Door het raampje boven in de deur pinkelt een lichtje. Linzy loopt naar de deur. Ze gaat op haar tenen staan en kan net over het raamkozijn heenkijken. Ze ziet niets. Alleen het lichtje boven het gasfornuis is aan. Bart ziet ze niet. Heel voorzichtig duwt ze de klink van de deur naar beneden. Ze gluurt om een hoekje van de deur de keuken binnen. Dan schrikt ze. Op de grond ligt Bart. Hij beweegt niet.
‘Bart’, roept ze verschrikt. Er komt geen antwoord. Ze duwt de deur verder open en knielt bij Bart neer. Ze schudt aan zijn schouder. Hij beweegt zijn hoofd maar hij wordt niet wakker. Linzy staat op en zoekt gejaagd in een la onder het aanrecht naar een doekje. Ze maakt het nat en dept Barts voorhoofd en hals. Ineens gaan zijn ogen open. Hij knippert een paar keer en dan zegt hij verbaasd: ‘Wat ben je aan het doen?’
‘Dat kan ik beter aan u vragen’, zegt Linzy zenuwachtig opgelucht.
‘Ik ben gevallen’, zegt Bart. Hij wrijft over zijn voorhoofd. Ineens veert hij overeind.
‘De cadeautjes’, zegt hij, ‘hoe laat is het?’
‘Het is kwart over negen’, zegt Linzy. Ze fronst haar wenkbrauwen. ‘Waarom vraagt u dat?’
‘Ik moet de cadeautjes rondbrengen’, zegt Bart gejaagd.
‘Cadeautjes?’, vraagt Linzy, ‘welke cadeautjes?’
Dan ziet ze de boodschappentas aan de stoelleuning hangen. De cadeautjes puilen er bijna uit. Linzy kijkt van de cadeautjes naar Bart.
Verbaasd zegt ze: ‘U bent degene die op kerstavond cadeautjes rondbrengt.’
Bart knikt. ‘Niemand weet het. Kun je een geheim bewaren?’
Linzy knikt heftig. ‘Natuurlijk’, zegt ze.
‘Dat dacht ik al’, zegt Bart. ‘Als je me nu overeind helpt, dan ga ik gauw de pakketjes bij de mensen brengen.’
Bart probeert te gaan zitten. Hij grijpt naar zijn hoofd en dan naar zijn been.
‘Auw’, kreunt hij.
Nu kijkt ook Linzy naar zijn been. Het ligt er raar bij. Iets is helemaal niet pluis.
‘Ik ga de dokterspost bellen’, zegt ze kordaat.
Bart zakt terug op de grond terwijl Linzy naar de telefoon loopt en het nummer van de dokter intypt.
‘Bart is gevallen’, zegt ze als ze de dokter aan de lijn heeft. ‘Zijn been ligt in een bocht. Het is vast gebroken.’
‘We komen er aan’, zegt de dokter. Linzy hangt op en gaat bij Bart op de vloer zitten.
‘Wie moet er nu de cadeautjes rondbrengen?, klaagt Bart.
‘Dat doe ik’, zegt Linzy vastberaden. ‘De kerkdienst is nog lang niet afgelopen. Ik heb genoeg tijd om ze rond te brengen.’
De ziekenwagen komt binnen tien minuten bij de fietsenwinkel aan. In een mum van tijd is Bart op de brancard geladen en rijdt de ziekenwagen weer weg.
Linzy haalt de pakjes een voor een uit de boodschappentas. Ze leest de namen op de cadeautjes. Ze legt ze op een rij.
‘Juist’ zegt ze tegen zichzelf. ‘Als ik deze volgorde bij het wegbrengen aanhoudt, ben ik klaar voordat de kerk weer leegstroomt.’
Met twee van de pakketjes blijft ze in haar handen staan. De een is voor haar moeder en de ander is voor haarzelf. Tranen springen in haar ogen. Ze weet best waarom Bart hun die cadeautjes geeft. Afgelopen jaar was moeilijk zonder pap die altijd zo vrolijk uit de hoek kon komen.
‘Dank u wel buurman Bart’, fluistert Linzy, ‘wat aardig om op deze manier aan ons te denken.’
Dan stopt ze ook die cadeautjes in de tas en sjeest de deur uit. Eerst naar de tweeling. Ze legt de cadeautjes op het bankje naast de voordeur. Dan gaat ze naar Linda. Het pakketje legt ze op de drempel van de deur. Tante Jans woont daarnaast. Ze legt het cadeautje neer en vlug loopt ze weer door. Ze kijkt telkens over haar schouder of niemand haar ziet. Binnen een half uur is ze klaar met rondbrengen. Als laatste legt ze de cadeautjes voor haar mam en haarzelf bij hen op de stoep. Ze brengt de boodschappentas terug naar Bart. De sleutel van de deur legt ze onder de plantenpot. Dan snelt ze terug naar de kerk en schuift naast haar moeder in de bank.
‘Waar bleef je nu zo lang?’, vraagt mam.
‘Bart was gevallen en heeft zijn been gebroken. Ik heb de dokter voor hem gebeld. Hij is door de ziekenwagen opgehaald.’
Mams ogen worden groot. Ze slaat haar armen om Linzy heen.
‘Wat ben ik blij dat je even bent gaan kijken waar hij bleef.’
Linzy glimlacht. Ze vertelt niets over de pakketjes. Een kwartierje later lopen ze samen over het marktplein naar huis. De sneeuw heeft een wit laagje gelegd op de straatklinkers. Het knerpt onder hun voetzolen. Sneeuwvlokjes waaien in hun gezicht en blijven op Linzy’s brilleglazen zitten. Bij de voordeur van hun huis staat mam stil. Ze bukt zich en raapt twee pakketjes van de grond.
‘Wel heb ik nou’, zegt ze verbaasd. ‘Dit jaar zijn wij de gelukkigen die een bemoediging ontvangen.’
Samen lopen ze het warme huis binnen.
In de woonkamer blijft mam staan. ‘Weet je’, zegt ze tegen Linzy, ‘ik had buurman Bart willen vragen om kerstavond bij ons te komen doorbrengen. Ik had ook voor hem cadeautjes gekocht.’ Ze zucht. Dan lichten haar ogen op. Ze zegt: ‘Laten we alle cadeautjes meenemen en naar het ziekenhuis gaan.’
Linzy lacht. ‘Dat vind ik een goed idee’, straalt ze.
Voorzichtig rijden ze even later in mam’s auto naar het ziekenhuis. De zusters vinden het geen probleem dat ze nog zo laat op bezoek komen. Het is tenslotte kerstavond.
‘Hallo Bart, hoe gaat het?’ vraagt mam als ze haar hoofd om de hoek van de ziekenkamer steekt.
‘Goed, hoor’, zegt Bart verrast. ‘Wat leuk dat jullie op ziekenbezoek komen.’
‘Ik dacht zo’, zegt mam ineens verlegen, ‘dat we maar bij jou kerstavond moesten komen vieren. Ik had je uit de kerk willen vragen bij ons te komen maar je kwam niet in de kerk.’
Bart glimlacht zuurzoet.
Mam legt de cadeautjes die ze heeft meegebracht op het bed.
‘Laten we er om beurten een openmaken waar onze naam op staat’, stelt ze voor.
Bart weet even niets te zeggen. Dan, als hij zijn stem weer vertrouwt, zegt hij: ‘Het is jaren geleden dat ik van iemand een kerstcadeau heb gekregen. Ik had bijna de moed opgegeven ooit wat te krijgen. Dankjewel, lieve buurvrouwen.’
‘Dit jaar’, zegt mam, ‘kregen Linzy en ik cadeautjes van de onbekende kerstweldoener. Zo aardig’, zegt ze er zacht achter aan. Ze veegt met een zakdoekje langs haar ogen en begint omstandig een pakketje open te maken.
Bart glimlacht en knipoogt naar Linzy. Zij weten wel hoe de vork in de steel zit.